De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 4a,
geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen
van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze
verordening bepaalde over herziening of intrekking van de
uitkering.
Burgemeester en wethouders stellen de belanghebbende uiterlijk
vier maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid
bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot
het doen van een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na
afloop van die termijn.
Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt door de
belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van
de in het eerste lid bedoelde termijn gedaan.
Indien burgemeester en wethouders niet tijdig beslissen op een
tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt
de uitkering voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de
aanvraag.
Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt geacht tijdig
te zijn ingediend indien burgemeester en wethouders de
kennisgeving bedoeld in het tweede lid niet hebben gedaan dan
wel indien bij een latere kennisgeving als bedoeld in het tweede
lid de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat deze
kennisgeving is ontvangen.
Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde
termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de
wijze die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn
niet zou zijn afgelopen.
Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van bepaalde
groepen algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties
geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt
van de in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar.
Hoofdstuk
Artikel 4c
Artikel 4c
Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van Leusden