Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de
eerste maal met toepassing van artikel 4a is voortgezet, doen
burgemeester en wethouders een onderzoek instellen ten einde te
doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op
de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor
herziening of intrekking van de uitkering.
Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van bepaalde
groepen algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan
wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid
genoemde termijn.
Burgemeester en wethouders wijzigen ambtshalve of op aanvraag
van de belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging
van de mate van algemene invaliditeit.
Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:
indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van
de eerste dag van de maand volgende op die waarin die
aanvraag is ingekomen;
indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang
van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de
beslissing tot wijziging is genomen.
De toepassing van artikel 4a wordt ten aanzien van een
belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan
een uitnodiging van burgemeester en wethouders zich te
onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hen
aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er
nog sprake is van algemene invaliditeit.
Indien degene die recht heeft op een wegens algemene
invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband
met arbeid geniet, zijn burgemeester en wethouders bevoegd,
zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid bedoeld in
artikel 4a, tweede lid kan worden aangemerkt, niet tot
herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De
toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over
een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de
eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid
bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt
geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen
inkomsten uit of in verband met arbeid worden genoten. Na afloop
van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de
eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid bedoeld in
artikel 4a, tweede lid.
Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat de tweede volzin
van het zesde lid geen toepassing vindt ten aanzien van bepaalde
groepen algemeen invaliden en met betrekking tot het zesde lid
van dit artikel nadere en voor bijzondere gevallen zo nodig
afwijkende regels stellen.
Hoofdstuk
Artikel 4d
Artikel 4d
Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van Leusden