De zorg voor het gemeentelijk bodemarchief is een beleidsveld waarin, net als op andere beleidsterreinen, keuzes gemaakt moeten worden. Wat moet behouden worden en wat niet? Wordt er opgegraven of beschermd? Wat kunnen archeologische waarden bijdragen aan de lokale of regionale identiteit? De Monumentenwet verplicht gemeenten immers niet om bij ruimtelijke planvorming in alle gevallen voorrang te geven aan archeologie. De Monumentenwet biedt gemeenten beleidsruimte om, binnen de kaders van het rijksbeleid, naar eigen behoefte financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de archeologische monumentenzorg op gemeentelijk grondgebied. Afhankelijk van de plaatselijke situatie biedt de wet gemeenten ook de mogelijkheid om, in het belang van de archeologische monumentenzorg en afhankelijk van de plaatselijke situatie, af te wijken van de eis tot archeologisch vooronderzoek in plangebieden vanaf 100m2.
Het gemeentelijk grondgebied van Lopik wordt intensief gebruikt voor bewoning, infrastructuur, economische en agrarische activiteiten. Dit is enerzijds een risico voor het archeologisch erfgoed in de bodem, maar gelijktijdig biedt dit mogelijkheden voor het verzamelen van informatie over het verleden van Lopik, haar kernen en de omliggende regio, maar ook tot het bijdragen aan provinciale en landelijke onderzoeksvragen. Middels het bestemmingsplan kan in dat kader van burgers worden gevraagd om bij vergunningplichtige ingrepen archeologisch vooronderzoek te laten verrichten. Dit gebeurt via het zogenaamde veroorzakerprincipe dat voortvloeit uit het Europese Verdrag van Malta.
De archeologische monumentenzorg heeft in Lopik nog geen groot draagvlak. Daarom zal de gemeente zich eerst concentreren op de wettelijk vereiste integratie van archeologie in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Lopik kiest daarbij voor een verscherpte aandacht voor, en het stellen van heldere voorwaarden aan, ingrepen in de bodem van de archeologisch meest waardevolle delen van het gemeentelijk bodemarchief, zodanig dat de archeologische zorgplicht in overeenstemming is met andere publieke taken en ambities (landbouw, ruimtelijke ontwikkeling, woningbouw, monumenten, etc.) maar ook met private belangen. Het uitgangspunt bij de invulling van het gemeentelijk beleid is dat archeologisch vooronderzoek daar wordt gevraagd, waar voldoende aannemelijk is dat kenniswinst kan worden geboekt.
Uitgangspunt is het behouden van archeologische waarden in de grond (behoud in situ). Alleen als de gemeente besluit dat andere belangen prevaleren, worden aanwezige archeologische resten en sporen die door planontwikkeling worden bedreigd, veiliggesteld door opgraving. Conform het veroorzakerprincipe zijn de kosten daarvan voor de initiatiefnemer. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het rijks- en provinciaal beleid en de geest van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) en Monumentenwet.
De gemeentedekkende archeologische beleidskaart (zie deel B) vormt de ruimtelijke vertaling en onderbouwing van het gemeentelijke beleid inzake de omgang met het bodemarchief en wordt gebruikt als instrument voor de afweging van de verschillende in het geding zijnde belangen. In de vorm van de maatregelenkaart kunnen gemeentelijke medewerkers en burgers al bij de voorbereiding van bodemingrepen vaststellen of rekening moet worden gehouden met verwachte of bekende archeologische vindplaatsen. In een zo vroeg mogelijk stadium van planvorming vindt vervolgens archeologisch vooronderzoek plaats, om vast te stellen wat de gevolgen van de geplande bodemingrepen zijn voor het bodemarchief en of verdere stappen daarbij noodzakelijk zijn. In haar rol van bevoegd gezag voert de gemeente daarbij een transparante en effectieve regie op doel en middelen. Dit gebeurt aan de hand van de zogenaamde AMZ-procedure (bijlage 3). De gemeente onderschrijft daarmee tevens de kwalitatieve eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.19Zie www.sikb.nl Selectiebesluiten en inhoudelijke sturing van vervolgonderzoek worden gebaseerd op de informatie van de waarden- en verwachtingenkaart (kaart 8), inclusief de onderliggende kaarten en de toelichting.
Lopik beschikt daarmee over een combinatie van beleid en beleidsinstrumenten waarmee een maatschappelijk aanvaardbare balans wordt aangebracht tussen ruimtelijke en economische ontwikkeling enerzijds en een zorgvuldig beheer van het gemeentelijk bodemarchief anderzijds. Voor de uitvoering daarvan wordt de gemeentelijke organisatie zodanig ingericht dat zij haar taken als bevoegd gezag slagvaardig en kwalitatief kan uitvoeren. Daarbij wordt een helder onderscheid aangebracht tussen het interne, procesmatige deel van de AMZ-procedure (te verrichten door een gemeentelijk beleidsmedewerker) en momenten waarop archeologische advies of expertise gewenst of noodzakelijk is (zie hoofdstuk 5).
Het gemeentelijk AMZ-beleid wordt tevens betrokken bij de voorbereidingen voor de opstelling van de structuurvisie Lopik 2020.
De gemeente Lopik stelt zich ten doel het gemeentelijk beleid en het gebruik van de beleidskaart over twee jaar te evalueren. In dat kader zal worden bezien of het wenselijk is het archeologische beleid te verbreden tot een gemeentelijk erfgoedbeleid dat betrekking heeft op alle (zichtbare en niet-zichtbare) cultuurhistorische waarden in de gemeente. Het beleid inzake behoud en bescherming van archeologische waarden kan daarbij worden geïntegreerd in gemeentelijke ambities op het gebied van bovengrondse monumenten, landschappelijke waarden, ruimtelijke kwaliteit, educatie en toerisme). Hiervoor zijn in hoofdstuk 5 actiepunten opgenomen.