Er zijn volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek steeds minder land- en tuinbouwbedrijven in Nederland. In 2005 waren er nog 82 duizend bedrijven, tegen 113 duizend in 1995. Dit is een vermindering van 60 bedrijven per week. Binnen gemeente Lopik waren er in 1995 nog 581 bedrijven ten opzichte van 415 veebedrijven in 2005. Hieruit is af te leiden dat de landelijk afname in veebedrijven met 28% in 10 jaar ook in Lopik heeft plaatsgevonden. Opvallend is echter dat dit vooral in de pluimvee- (44%) en varkensbedrijven (61%) gebeurt. Bij de rundveebedrijven neemt het aantal bedrijven met 21% af en de overige veebedrijven binnen de gemeente neemt met 14% in aantallen af. Het feitelijk aantal dieren per bedrijf neemt echter toe.
Foto 6: jongvee aan de lekdijk
Voor de geurwetgeving is echter niet het feitelijke aantal, maar het vergunde aantal dieren van belang. Het feitelijk aantal te houden dieren komt vrijwel nooit overeen met het vergunde aantal dieren. Dit heeft enerzijds te maken met bedrijven die vergunningaanvragen indienen vooruitlopend op een nog te realiseren feitelijke bouw van een stal (toekomstige situatie). Anderzijds zijn er bedrijven waar geen of niet alle dieren worden gehouden, maar die de vergunning nog niet (willen) intrekken (de zogenaamde lege vergunningen). Daarnaast is het van belang te weten dat het CBS, die de feitelijke dierbezettingen bijhoud middels meitellingen, bedrijfsgebonden analyseert en een milieuvergunning aan een inrichting (locatie) is gerelateerd. Sommige agrarische bedrijven hebben meerdere locaties (zelfs buiten de gemeente of provincie) op één bedrijfsnummer geregistreerd.
Hierdoor geeft het CBS in sommige situaties een vertekend beeld.
tabel 1: dieraantallen in vergelijk 2005 (internet CBS, 2008)
Lopik
Provincie Utrecht
Nederland
1995
2005
1995
2005
1995
2005
Rundvee
18.038
14.890
220.010
200.971
4.654.195
3.798.804
Varkens
35.610
21.785
423.477
305.482
14.397.463
11.311.558
Pluimvee
179.790
200.750
1.637.810
1.458.070
89.561.116
92.914.176
Overig vee
11.235
8.577
167.324
123.791
5.102.273
5.403.171
Totaal
244.673
246.002
2.448.621
2.088.314
113.715.047
113.427.709
Het vergunde aantal dieren is niet alleen een vergund recht, waarmee bijvoorbeeld bij het realiseren van een uitbreiding van woonbebouwing rekening moet worden gehouden, maar vormt ook een prognose van de te verwachten ontwikkelingen binnen een gemeente.
Tabel 1 geeft het aantal dieren aan dat daadwerkelijk gehouden wordt. Hieruit blijkt dat feitelijk 7% van het rundvee en de varkens en 14% van het pluimvee in Utrecht binnen gemeente Lopik wordt gehouden.
In 1995 hield 25% van de rundveehouders in Lopik minder dan 30 koeien en 9% hield meer dan 70 koeien. In 2005 is het aantal rundveebedrijven met minder dan 30 melkkoeien verlaagd tot 20% en het aantal grotere bedrijven met meer dan 70 melkkoeien verhoogd tot 16%. Als deze schaalvergroting lineair doorzet, heeft in 2015 circa 25% van de melkveebedrijven meer dan 70 koeien.
Indien we het aantal gehouden dieren binnen gemeente Lopik verdelen over het aantal bedrijven werd in 1995 per rundveebedrijf 70 stuks rundvee gehouden en in 2005 waren dit er 73. Bij varkens is dit 276 in 1995 versus 436 dieren in 2005. Als deze schaalvergroting lineair doorzet heeft in 2015 een gemiddeld varkensbedrijf in Lopik theoretisch gezien 689 varkens (internet Centraal Bureau voor de Statistiek, 2008).
Om de geurbelasting vanuit de veebedrijven te bepalen zijn van alle intensieve veebedrijven middels het onderzoeken van de dossiers parameters bepaald. Hiervoor is gebruik gemaakt van de geldende milieuvergunningen en bijbehorende plattegrondtekeningen. In de milieuvergunning staat het aantal vergunde dieren per stalsysteem, waarmee aan de hand van de geuremissie-omrekenfactoren uit de Regeling geurhinder en veehouderij (VROM, 2006d) de geuremissie in odour units kan worden berekend.
Voor de x- en y-coördinaten is aan de hand van het vigerende bouwblok per bedrijf met het instrument GIS het zwaartepunt van het bouwblok als bronpunt bepaald. Vervolgens zijn hiermee de huidige situatie en een situatie dat alle bedrijven hun maximale milieuruimte zouden benutten berekend.
Ter controle van de juistheid van de gegevens zijn in overleg met de contactpersonen van de gemeente de bedrijfstypen met een opvallend diersymbool weergegeven en zijn de bouwblokken genummerd om elk bedrijf terug te kunnen vinden in een aparte lijst.
Verder zijn bij de invoer van de brongegevens voor de gebouwhoogte, emissiepunthoogte en doorsnede van het emissiepunt evenals voor uittreesnelheid een aantal aannames gedaan om de geurbelasting uniform, eenvoudig en efficiënt te bepalen. Deze zijn in tabel 2 weergegeven en afkomstig uit de gebruikershandleiding van het verspreidingsmodel (SenterNovem, 2006b). Voor de maximale situatie is in overleg met de contactpersoon van de gemeente het plafond van 50.000 odour units bepaald, wat ongeveer overeenkomt met een bedrijf van 3.000 vleesvarkens. Voor het berekenen van een maximale geurbelasting van de intensieve veebedrijven wordt gerekend tot de dichtstbijzijnde receptor of, als deze niet in de nabijheid ligt, tot een plafond van 50.000 odour units. Voor de berekeningen van de huidige en toekomstige geurbelasting is gebruik gemaakt van de in februari 2008 geldende milieuvergunningen en zijn in overleg met de gemeente tevens de lopende aanvragen meegenomen.
tabel 2: standaard invoergegevens bronnen ( SenterNovem, 2006b P9).
Invoerdata
Invoerwaarde
Afkorting in tabellen
Uniek nummer per bouwblok
Uniek
IDNR
X-coördinaat van de bronlocatie
Zwaartepunt
X
Y-coördinaat van de bronlocatie
Zwaartepunt
Y
Hoogte ventilatiekoker
5,0 meter
ST-hoogte
Gemiddelde hoogte van de stal
6,0 meter
GemGebH
Binnendiameter ventilator
0,5 meter
ST-bindiam
Uittreesnelheid van de ventilator
4,0 meter/seconde
ST-uittree
Vergunde emissie
Odour units vergunning(aanvraag)
E-Vergund
Maximale emissie
50.000 odour units
E-MaxVerg
Als ondergrond is gebruik gemaakt van een door de gemeente beschikbaar gestelde grootschalige basiskaart Nederland (GBKN) en de bouwblokken van alle agrarische bedrijven in het buitengebied uit het bestemmingsplan (Gemeente Lopik, 2007a). Ter controle is bij de bouwblokken een onderscheid gemaakt in intensieve en extensieve veebedrijven en overige landbouwbedrijven (akkerbouw en tuinbouw). Daarnaast zijn de IPPCbedrijven1Integrated Pollution and Prevention Control (Europese richtlijn nr. 96/61/EG van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 257)) met een aparte kleur aangegeven.