Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.4

Geurgevoelige objecten (bijv. woningen)

Onderdeel van Geurgebiedsvisie Lopik

Het ministerie van VROM geeft in de memorie van toelichting bij de Wgv aan dat de aanwezigheid van, gemiddeld, een groot aantal geurgevoelige objecten die een gebied overwegend een woon- of verblijfsfunctie verleent, een relatief hoog beschermingsniveau rechtvaardigt (VROM, 2006b P5). Nu meer dan 70% van de inwoners van gemeente Lopik in de bebouwde kommen woont of verblijft gelden hier strengere geurnormen dan in het buitengebied. Overigens heeft de gemeente Lopik ook een lage woondichtheid, zo liggen er binnen de gemeente 65 woningen per km2 versus een gemiddelde van 343 woningen per km2 in de provincie Utrecht (internet CBS, 2008). De Wgv beschermt geurgevoelige objecten tegen stankhinder, door een maximale geurnorm te stellen voor deze geurgevoelige objecten. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt in beleving en ligging. Uit onderzoek (VROM, 2001) is namelijk gebleken dat bewoners van de nietconcentratiegebieden uit de meststoffenwet (zie figuur 1) de relatie tussen geurbelasting en geurhinder anders ervaren. De Wgv geeft daarom geurgevoelige objecten in bebouwde kommen van niet-concentratiegebieden de hoogste bescherming en geurgevoelige objecten buiten bebouwde kommen in concentratiegebieden de laagste bescherming tegen geurbelasting. De gemeente Lopik is volgens de Meststoffenwet gelegen in een nietconcentratiegebied. De geurnormen op geurgevoelige objecten in alle direct omliggende gemeenten (ook gelegen in het niet-concentratiegebied) zijn gelijk aan die in de gemeente Lopik. Hier gelden voor de geurgevoelige objecten volgens artikel 3 uit de Wgv de normen van 2,0 en 8,0 odour units voor respectievelijk objecten binnen en buiten de bebouwde kom. Wat met het begrip “geurgevoelig object” wordt bedoeld wordt, zoals in het kader is weergegeven, verklaard in artikel 1 van de Wgv. Een belangrijk criteria is het woord “gebouw”, waarmee de begripsdefinitie begint. Hiermee zijn openluchtrecreatieve objecten als sportvelden of recreatieplassen niet meer als geurgevoelig object te beschouwen. Daarnaast bepaalt de bestemming en aard of een object gevoelig is voor geur. Ook dit is nieuw, omdat de jurisprudentie2De planologische bestemming van een gebouw is niet bepalend, maar het feitelijk gebruik. Dit geld zowel voor bedrijfswoningen die door burgers in gebruik zijn genomen (ABRvS 200303930/1 en 200407535/1) als voor voormalige bedrijfswoningen die inmiddels als burgerwoning zijn bestemd, maar nog door de oorspronkelijke bewoners worden bewoond (ABRvS 200401286/1 en 200507908/1). tot de inwerkingtreding van de Wgv het feitelijk gebruik als toetsingskader beschouwd voor de afweging van geurgevoeligheid. Als laatste wordt de verblijfsduur aangehaald. Er moet een permanent of regelmatig gebruik zijn. Hiermee lijkt het begrip aan te sluiten bij de bestaande jurisprudentie3 Een ruimte die niet als met wonen gelijk te stellen verblijf kan worden aangemerkt, zoals een hobbyruimte of een bijkeuken is niet geurgevoelig (ABRvS 200504416/1 en 200700893/1). die is opgebouwd bij de geurwetgeving die voorheen geldend was. Foto 7: bordje bebouwde kom van Benschop buiten de rode contouren van het Streekplan Overigens is in de Wgv geregeld dat de voormalige veehouderijen die na 19 maart 2000 zijn gestopt en als burgerwoning worden bestemd of gebruikt eenzelfde geurbescherming houden. De relatie tussen geurbelasting en geurhinder, ook wel dosis-effectrelatie genoemd, wordt uitgedrukt in een percentage van soms of vaak geuroverlast. Het ministerie van VROM heeft in mei 2007 de Handreiking bij de Wgv aangevuld met een document waarin de dosis-effectrelatie is uitgewerkt (VROM, 2007b). Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een achtergrondbelasting en een voorgrondbelasting. In tabel 3 is de relatie tussen de oude geurbeoordelingsystematiek met omgevingscategorieën en de hinderbeleving weergegeven om een beeld te krijgen van de geurbeleving bij de verschillende normen. tabel 3: relatie tussen oude omgevingscategorieën, de geurhinder en geurbelasting (VROM, 2007b). omgevingscategorie I II III IV geurhinderpercentage 20% 25 % 37 % 54 % voorgrondbelasting 4,5 ouE/m3 6,5 ouE/m3 13 ouE/m3 30 ouE/m3 achtergrondbelasting 10 ouE/m3 14 ouE/m3 28 ouE/m3 65 ouE/m3 De geurgevoelige objecten binnen gemeente Lopik en in een zone van 500 meter binnen de buurgemeenten zijn als receptorenbestand gebruikt om de geurbelasting en geurbeleving voor de geurgebiedsvisie te bepalen. Voor de receptoren is door de gemeente een databestand met de adrescoordinaten van Nederland (ACN-bestand) aangeleverd om de x- en ycoördinaten van alle geurgevoelige objecten te bepalen. Vervolgens zijn alle geurgevoelige objecten binnen de bouwblokken van veebedrijven verwijderd (bedrijfswoningen). Voor deze woningen geldt namelijk een vaste afstand van 50 meter en geen geurnorm (Wgv art. 3, lid 2b). De bebouwde komgrenzen zijn voor de geurgebiedsvisie als volgt bepaald. In eerste instantie zijn de grenzen, ofwel de zogenaamde “rode contouren woonkernen”, uit het Streekplan (Provincie Utrecht, 2004) gebruikt, waarmee tevens de toekomstige ontwikkelingen zijn meegenomen. Vervolgens is door de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling van de gemeente de preciezere begrenzing bepaald. In hoofdstuk 3 worden de beleidsstukken beschreven die verder ten grondslag hebben gelegen voor de gemaakte keuzes rond geurgevoeligheid in deelgebieden, waarbij in paragraaf 3.2.2 de recreatieve geurgevoelige objecten met hun toekomstplannen worden beschreven. In hoofdstuk 4 worden vervolgens de analyses en hoofdstuk 5 worden de keuzes uitgewerkt rond de geurgevoeligheid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel