Om een goede afweging in milieukwaliteit voor de leefomgeving te maken is in eerste instantie een classificering gemaakt. Vervolgens wordt de feedback van de belanghebbenden betrokken en gezamenlijk in een analyse afgewogen.
In deze analyse worden de varianten en keuzemogelijkheden vergeleken met de bestaande beleidskeuzes. Zo wordt de motivatie van de keuzes compleet gemaakt. Als laatste wordt ingezoomd op enkele overgangsgebieden van bebouwde kom naar buitengebied, waar de normstelling nauwkeurig bepaald wordt om uitbreidingsplannen te kunnen verwezenlijken zonder de omliggende veehouders verder te belemmeren.
5.2.1 Wat is een acceptabel leefklimaat
Het ministerie van VROM heeft in mei 2007 de Handreiking bij de Wgv aangevuld met een document waarin de dosis-effectrelatie is uitgewerkt (VROM, 2007b). De hinderpercentages zijn gebaseerd op het eerder aangehaalde belevingsonderzoek (VROM, 2001). Bij dit geuronderzoek van omwonenden bij varkenshouderijen is uit circa 2.000 telefonische enquêtes gebleken dat inwoners bij eenzelfde geurimissie in concentratiegebieden minder geurhinder ervaren als in niet-concentratiegebieden. Daarnaast is gebleken dat wanneer er geen of nauwelijks een achtergrondwaarde aanwezig is de geurbelasting vaak wordt onderschat. De hinder vanuit éénbron-situatie wordt intenser beleefd dan wanneer er cumulatie van geurbelasting plaatsvindt.
In tabel 12 is de milieukwaliteit beschrijvend weergegeven die het RIVM hanteert voor haar milieurapportages en –toekomstverkenningen bij het aspect geurhinder. Hierbij is echter geen onderscheid gemaakt in de geurbeleving tussen de industriële chemische geuren en de beleving van de agrarische organische geuren.
tabel 12: Milieukwaliteiten ingedeeld op basis van een algemene relatie tussen hinder en geurbelasting (VROM, 2007b P11).
Achtergrondbelasting (ouE/m3 98-percentiel)
Voorgrondbelasting
(ouE/m3 98-percent.)
Mogelijke kans op geurhinder9 Dit betekent dat bij bijvoorbeeld 10% geurhinder, 10% van de inwoners in een telefonische enquête heeft aangegeven ‘soms of vaak last van geur van stallen van veehouderijen te ondervinden’.
Beoordeling leefklimaat
0-1,5
<1
<5
Zeer goed
1,5-3,5
1-2
5-10
Goed
3,5-6,5
2-3
10-15
Redelijk goed
6,5-10
3-4,5
15-20
Matig
10-14
4,5-6,5
20-25
Tamelijk slecht
14-19
6,5-8,5
25-30
slecht
19-25
8,5-11
30-35
Zeer slecht
25-32
11-15
35-40
Extreem slecht
In tabel 3 in paragraaf 2.4 is echter aangegeven dat voor de inwerkingtreding van de Wgv voor de burgerwoningen in het buitengebied (categorie III volgens de Brochure) 37% als acceptabel hinderpercentage werd beschouwd voor het buitengebied volgens de Rchtlijn veehouderij en stankhinderveehouderij (VROM, 1996). Voor de bebouwde kommen (categorie I volgens de Brochure) vormt een percentage van circa 20% een acceptabel niveau van geurbelasting. Deze onderverdeling in geurbeleving en geurbescherming is in tabel 12 die het RIVM hanteert niet meegenomen, omdat vanuit landelijk niveau bekeken de milieukwaliteiten vaak per gemeente of provincie worden getoetst. Doordat in het buitengebied minder bewoners zijn kan gemiddeld per gemeente of provincie dus een goede milieukwaliteit zijn, terwijl er in het buitengebied veel geuroverlast is.
Foto 16: agrarisch bedrijf aan de Boveneind noordzijde Benschop
Doordat tabel 12 geen onderscheid maakt in binnen of buiten een bebouwde kom, is deze voor de afweging bij een geurgebiedsvisie niet goed toepasbaar. Het ministerie van VROM heeft haar normstelling voor de bewoners in het buitengebied, zoals in paragraaf 2.4 al is aangegeven, in het buitengebied naar boven bijgesteld omdat hier aanzienlijk minder geurgevoelige objecten aanwezig zijn en de acceptatiegraad daarmee hoger is. Tabel 13 op de volgende bladzijde geeft dit onderscheid in geurbeleving weer met een schaal van geen hinder tot ernstige hinder (EH). Deze tabel is door het RMB en G&O Consult benaderd aan de hand van bestaande onderzoeken en door het RMB uitgevoerde berekeningen. De normen van de enkelvoudige hinder (voorgrondbelasting) komen uit de Wgv. In overleg met de contactpersoon van de gemeente Lopik is voor de visualisatie besloten deze normen te hanteren, om inzicht te geven in de geurbeleving binnen en buiten de bebouwde kom. De kleur geeft op de kaarten het leefklimaat als achtergrondwaarde weer.
tabel 13: verband tussen geurimmissie en de hinderbeleving soms of vaak last van in een
bebouwde kom
enkelvoudige geur
cumulatieve geur
ouE/m3
%
ouE/m3
%
Acceptabel geurniveau
2,0
11
4
0-11
Afweegbaar geurniveau
-
-
7
11-15
Slechte geursituatie
-
-
18
15-EH
Buitengebied
enkelvoudige geur
cumulatieve geur
ouE/m3
%
ouE/m3
%
Acceptabel geurniveau
8,0
29
18
0-29
Afweegbaar geurniveau
-
-
32
29-EH
Slechte geursituatie
-
-
>32
EH
5.2.2 Overleg met belanghebbenden
Om een goed beeld te krijgen van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling en de mogelijke geurknelpunten zijn ook belanghebbenden betrokken. Artikel 9 van de Wgv geeft de verplichting de buurgemeenten bij de keuzes te betrekken door in overleg te gaan, indien het effect doorwerking op hun grondgebied kan hebben.
Buurgemeenten
Bij de totstandkoming van de geurgebiedsvisie heeft de gemeente Lopik alle buurgemeenten betrokken. Dit heeft plaatsgevonden in een mondelinge toelichting. Na een uitleg van de uitgangspunten van de gebiedsvisie van gemeente Lopik en een korte weergave van de kaarten met de voor- en nadelen van de berekende varianten, zijn rond de geurgebiedsvisie een aantal vaste punten besproken. Uit de gesprekken blijkt dat de normstelling uit de voorkeursvariant overal aansluit bij de buurgemeenten, maar dat bij de gemeenten IJsselstein en Schoonhoven spanningsvelden kunnen ontstaan, omdat de bedrijven hier gemeentegrensoverschrijdende effecten hebben.
Omdat gemeente Lopik echter de eerste gemeente in de regio is met een geurgebiedsvisie en de geurnormen voorlopig gelijk blijven en de vaste afstanden worden versoepeld zal dit geen ongunstigere effecten op de bewoners van de buurgemeenten hebben en voor de bedrijven van de buurgemeenten alleen maar een verruiming van ontwikkelmogelijkheden.
Provincie Utrecht
Op dit moment is er binnen gemeente Lopik een veehouder die meer dan 15.000 ton bijproducten per jaar voert of meer dan 1.000 m3 opslaat. Hierdoor is, gelet op categorie 28.4 van bijlage I van het Ivb (VROM, 1993) het college van B&W op dit moment op een bedrijf na bij alle veehouders het bevoegd gezag. Omdat bij uitbreiding van deze inrichtingen met een grotere capaciteit gedeputeerde staten bevoegd gezag kan worden en zij dan ook de vergunningaanvraag moeten toetsen aan de normstelling uit de gemeentelijke verordening, is eveneens contact geweest met de provincie. Ze gaven aan niet de behoefte te hebben om bij de keuzes betrokken te worden, maar wensen wel van het resultaat op de hoogte te worden gebracht.
Land- en tuinbouworganisatie
Op 25 maart 2008 is een afvaardiging van de lokale LTO uitgenodigd op het gemeentehuis om gezamenlijk de kaarten met de geurbelasting te bekijken en de resultaten ervan te bespreken. Hierbij zijn een aantal aspecten besproken om te peilen welke keuzemogelijkheden het beste aansluiten bij de wensen van beide partijen.
Vanuit de LTO is aangegeven dat ze achter de stelling staan dat de cultuur historische waarde van belang is en dat de extensieve veebedrijven zo veel mogelijk de ruimte moeten krijgen binnen bepaalde proporties.
Burgers en bedrijven
Op 10 april 2008 is een informatieavond georganiseerd vanuit de Ondernemersvereniging Lopik, de Middenstandsvereniging Lopik, de gemeente Lopik en de LTO Noord voor alle belanghebbenden binnen de gemeente.
Na een uitleg van de werking van de Wgv is hierbij een presentatie gegeven van de berekeningen en verschillende varianten en de uitkomsten van de analyses hierbij. Vervolgens zijn de keuzemogelijkheden die het college van B&W aan de raad kan voorleggen, nader toegelicht en is de gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen.
De toelichting en argumenten die zijn gegeven voor het al dan niet afwijken van de normen zijn goed ontvangen en er is door de belanghebbenden aangegeven dat de argumentatie in de geurgebiedsvisie belangrijk is voor de gemeenteraad om een goed overwogen besluit te nemen.
5.2.3 Analyse van de berekende varianten
In paragraaf 4.2 is bij de inventarisatie van de knelpunten een uitgebreide analyse gedaan naar de geurbelasting in het buitengebied en de bebouwde kommen. Met de resultaten van deze analyse kan het college van B&W van de gemeente Lopik voor haar raadsvoorstel een keuze maken welke normstelling het meest tegemoet komt aan het oplossen van geurknelpunten in een afweging tussen de geurbelasting en geurbeleving.
De keuzes tot het verhogen of verlagen van de norm heeft altijd een tweeledig effect. Het op slot zetten van bedrijfsontwikkeling door lagere normstelling zorgt ook voor grotere contouren over de bebouwde kommen en andersom kan het loslaten van de normen zorgen voor bedrijfsontwikkeling op ongewenste locaties en daarmee een slecht woon- en leefklimaat.
Vanuit het beleid van de betrokken overheden en de analyse rond de varianten en afwijkingsmogelijkheden wordt het volgende geconcludeerd:
de autonome variant geeft voor het buitengebied een normstelling die het meest aansluit bij de uitgangspunten, uitgaande van belevingstabel 13 neemt hier het aantal gehinderde namelijk niet toe. Ook zijn er slechts 26 bouwblokken op slot in de autonome variant, en zijn deze bedrijven vooral gelegen nabij een bebouwde kom;
Verder blijkt dat in de bebouwde kommen de geurbelasting beperkt toe neemt, maar vooral bij de reeds bestaande situaties en dan van acceptabel naar afweegbaar. Over het algemeen kan bij een normstelling van 2 odour units de geurhinder niet toenemen;
het ruimte geven aan de extensieve veehouderij door het versoepelen van de afstanden sluit aan bij de insteek van grondgebonden landbouw zoals in het Streekplan is aangeven;
door de gekozen normstelling van de wettelijke normen en geen aanscherping bevordert dit de ontwikkelmogelijkheden van de recreatiebedrijven, omdat er geen grotere geurcontouren komen en stimuleert het de verbrede landbouw tot recreatieve neventakken. Daarnaast zullen door de op 1 april 2008 in werking getreden AMvB huisvesting (VROM, 2005) betere en duurzamere technieken worden toegepast en worden alle dieren emissiearm gehuisvest;
het beperken van ontwikkelingsmogelijkheden qua intensieve landbouw in de zones rond de kernen door de wettelijke lagere normen in de bebouwde kommen stimuleert de verbrede landbouw of andere neveninkomsten. Ook kan het de clustering van de vaak kleinschaligere biologische landbouwbedrijven bevorderen;
het niet versoepelen van de geurnormen voor de intensieve bedrijven nodigt ook niet de bedrijven uit andere gemeenten uit om in Lopik grote bedrijven te ontwikkelen, maar geeft wel de mogelijkheid om conform het bestemmingsplan de intensieve veehouderij als neventak te behouden;
ruimte geven aan de extensieve landbouw in de lintbebouwingen zorgt voor investering in landschappelijke inpasbaarheid en sloop van oude stallen;
versoepelen van de vaste afstanden geeft meer mogelijkheden tot splitsing van bestaande boerderijen en daarmee behoud van de cultuurhistorische waarde.
door af te afwijken van de vaste afstanden, tot een beperkt aantal dieren, gerelateerd aan de AMvB landbouw blijven de kleinere bedrijven rond de kernen behouden, wordt ruimte gecreëerd voor woningbouw en bevordert dit de werkgelegenheid en leefbaarheid in kleine kernen;
verder zorgt de aanwijzing van de grenzen van de bebouwde kommen voor een duidelijke situatie voor burgers en agrarische bedrijven.
5.2.4 Keuzes rond de geurknelpunten
In artikel 8, lid 2 van de Wgv is geregeld welke aspecten betrokken worden om andere waarde of afstanden op te nemen. De gemeenteraad weegt hiervoor de relatie tussen geurhinder en geurbelasting af en betrekt de gewenste ruimtelijke inrichting hierin.
Als basis voor de gewenste ruimtelijke inrichting zijn de rode contouren uit het Streekplan gehanteerd (Provincie Utrecht, 2004). Hieruit is naar voren gekomen dat voor de geursituatie in de geurgebiedsvisie van gemeente Lopik vier concrete ontwikkelingen van belang zijn:
ten oosten van Lopik;
ten oosten van Benschop;
ten oosten van Cabauw
ten noordoosten van Uitweg.
De gebieden worden als bebouwde kom ingericht. Daarom is het van belang te bepalen welke normen voor deze gebieden moeten worden gesteld om te voorkomen dat deze de bedrijfsontwikkeling van de omliggende bedrijven verder belemmeren of dat de bouwplannen niet door kunnen gaan omdat ze in de geurcontour van de bedrijven komen te liggen.
Voor de geurbeoordeling van agrarische bedrijven in het kader van de Wet milieubeheer geldt een specifiek toetsingsregime. Dit toetsingsregime dient andersom ook te worden toegepast bij de RO-beoordeling van mogelijke nieuwe projectlocaties. Bij de toets rond een bestemmingsplanwijziging moet worden bepaald of sprake is van een goede ruimtelijke ordening en of het plan in strijd is met het ruimtelijke ordeningsrecht. Voor een zorgvuldige besluitvorming moet worden bepaald of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Bij het realiseren van geurgevoelige objecten is het enerzijds van belang deze een goed woon- en verblijfsklimaat te kunnen garanderen. Anderzijds mogen de belangen van de veehouderijbedrijven niet onevenredig worden geschaad.
Hieronder wordt per ontwikkeling deze afweging gemaakt.
Lopik
Ten oosten van Lopik zijn plannen in ontwikkeling om woningbouw te realiseren. Het gaat hierbij om het gebied tussen de Vogelzangsekade en de M.A. Reinaldaweg. De rode contouren van het Streekplan geven aan dat ten oosten van Lopik een uitbreiding van circa 80 woningen mogelijk is. Op dit moment is deze locatie in gebruik als agrarisch bouwland. Ten noorden van dit gebied liggen enkele extensieve veehouders met vaste afstanden welke mogelijk worden belemmerd door deze ontwikkeling.
Foto 10: nieuwbouw in het westen Lopik
figuur 11: vaste afstanden rond Lopik.
De projectlocatie is gelegen in een niet-concentratiegebied tegen de bebouwde kom van Lopik en wordt door de aaneengesloten bebouwing als bebouwde kom beoordeeld.
In onderstaande figuur is aangegeven waar de vaste afstanden zijn gelegen, van de noordelijk ten opzichte van de bebouwde kom gelegen bedrijven.
Uit figuur 11 blijkt dat de wettelijke vaste afstanden van 100 meter over het plangebied reiken. Dit betekent dat de bedrijven bij realisatie van het plan geen ontwikkelruimte meer hebben, tenzij ze een deel van hun bouwblok niet meer gebruiken.
Nu de afstand wordt gehalveerd reiken de contouren niet meer over het plangebied en worden de bedrijven ook niet meer belemmerd door de toekomstige woningbouw.
Benschop
Ook in Benschop zijn plannen in ontwikkeling om woningbouw te realiseren. De rode contouren van het Streekplan geven aan dat ten oosten van Benschop een uitbreiding van circa 40 woningen mogelijk is. Op dit moment is deze locatie grotendeels in gebruik als agrarisch bouwland.
De projectlocatie is gelegen in een niet-concentratiegebied tegen de bebouwde kom van het dorp Benschop en wordt door de aaneengesloten bebouwing als bebouwde kom beoordeeld.
In onderstaande figuur is aangegeven waar de vaste afstanden, bepaald vanaf de rand van het bouwblok voor een groot deel over het plangebied liggen. Het halveren van de afstanden heeft slechts een beperkt effect.
figuur 12: vaste afstanden rond Benschop.
Uit figuur 12 blijkt dat de vaste afstand ook bij halvering van deze afstand voor een groot deel over de projectlocatie reikt. Dit komt doordat het bouwblok van het bedrijf aan het Dorp 113 direct naast de projectlocatie ligt. Het bedrijf is een melkrundveehouderij die als neventak varkens houdt. Dit betekent dat zowel een geurcontour voor de varkens als een vaste afstand voor het rundvee geldt. De melkrundveestal zelf ligt op 50 meter van de projectlocatie en voldoet hiermee aan de vaste afstand, maar bij de omgekeerde werking moet worden uitgegaan van de rand van het bouwblok. Op dit moment zijn er onderhandelingen met het bedrijf om het deel van het bouwblok te verplaatsen op het achter de stallen gelegen perceel. Hiermee wordt de vaste afstand van 50 meter gehaald. Wat betreft de geurcontour van de varkens blijkt dat deze eveneens over de projectlocatie reikt.
figuur 13: geurcontouren van 4 odour units volgens de vergunde situatie.
Voor wat betreft de varkens wordt het bedrijf echter al belemmerd door bestaande woningen. Dit betekent niet dat het bedrijf geen uitbreidings- ruimte meer heeft. Wanneer de stal wordt afgebroken en achter op het perceel wordt herbouwd kan het bedrijf immers meer dieren houden. Daarom is de geurcontour berekend vanaf de rand van het bouwblok (het bouwrecht van de ondernemer). In figuur 13 hierboven is dit weergegeven. Tevens is uit onderstaande figuur te herleiden met welke normstelling het bedrijf niet meer in zijn bedrijfsvoering belemmerd zal worden. Dit geldt overigens eveneens voor het varkensbedrijf aan het Dorp 107. Bij de geurnorm van 4 odour units loopt de contour van beide bedrijven, bepaald vanaf het bouwblok, niet meer over de projectlocatie. Hierbij is bij het bouwblok van het Dorp 113 van het bouwblokdeel achter op het perceel uitgegaan, omdat het gedeelte waar de voerkuilen van het rundvee nu liggen zo dicht bij bestaande woningen is gelegen dat de varkensstal hier niet gebouwd zou kunnen worden.
Cabauw
Ten oosten van Cabauw zijn plannen in ontwikkeling om binnen niet al te lange termijn woningbouw te realiseren. Op dit moment is deze locatie in gebruik door een voormalig agrarisch bedrijf. Het gebied is grotendeels gelegen binnen de rode contouren van het Streekplan.
De projectlocatie is gelegen in een niet-concentratiegebied tegen de bebouwde kom van het dorp Cabauw en wordt door de aaneengesloten bebouwing als bebouwde kom beoordeeld.
In onderstaande figuur is aangegeven waar de vaste afstanden vanaf de extensieve veehouderijen zijn gelegen. Deze komen niet over het plangebied. Ook de geurbelasting is in het plangebied acceptabel.
figuur 14: vaste afstanden rond Cabauw.
Uitweg
Op dit moment lopen er plannen om het noordoostelijkste deel van Uitweg binnen de door de provincie vast gestelde rode contouren een gewijzigde bestemming te geven. In de toekomst zou hier een uitbreidingslocatie voor de woonbebouwing van Uitweg ontwikkeld kunnen worden. Hiervoor is een bestemmingswijziging van de agrarische gronden noodzakelijk. De geplande locatie voor het uitbreidingsgebied is gelegen tegen het buitengebied ten noorden van het dorp Uitweg. Op dit moment is deze locatie in gebruik als agrarisch bouwland. Het gebied grenst aan de westzijde aan de doorgaande Lopikerweg oost, met aan de overzijde van de weg enkele agrarische bedrijven.
De projectlocatie is gelegen in een niet-concentratiegebied tegen de bebouwde kom van het dorp Uitweg en is door de aaneengesloten bebouwing tegen Uitweg en de ligging binnen de rode contouren als bebouwde kom beoordeeld.
In onderstaande figuur is aangegeven waar de geurcontouren zijn gelegen, bepaald volgens de vergunde situatie van de bedrijven aan de Lopikerweg oost 109a + 111 + 111a. Daarnaast is de vaste afstand van de bedrijven aan de Lopikerweg Oost 107 + 107a en Lopikerweg Oost 109 aangegeven.
figuur 15: geurcontour vanaf rand bebouwing en de vaste afstanden vanaf bouwblok.
Uit figuur 15 blijkt dat de geurcontour van 2 odour unit van het rundvee- en varkensbedrijf aan de Lopikerweg oost 109a + 111 + 111a bijna over het gehele plangebied komt. Voor de rundveebedrijven raakt komt e vaste afstand van 100 meter grotendeels over het plangebied het plangebied, maar ligt de gehalveerde afstand van 50 meter niet over het plangebied. Dit betekent dat de rundveebedrijven niet meer worden belemmerd door het plangebied en het gemengde bedrijf, behalve door het realiseren van emissiearme stalsystemen met meer geurreductie, geen ontwikkelruimte meer heeft.
figuur 16: geurcontouren van 4 odour units volgens de vergunde situatie.
Nu bekend is dat de bedrijfslocatie reeds door bestaande bebouwing wordt belemmerd kan ook worden bepaald welke normstelling nodig zou zijn om in het plangebied woningbouw mogelijk te maken. Hiervoor zijn verschillende geurcontouren bepaald en bij een normstelling van 4 odour units loopt de contour nog slechts voor een beperkt deel over het plangebied.
5.2.5 Raadsvoorstel
Het college van burgemeester en wethouders heeft daarom de volgende minimaal in acht te houden afstanden en geurnormen, welke ze aan de gemeenteraad voorlegt:
de bebouwde kommen van Polsbroek, Benschop, Cabauw, Lopik, Jaarsveld, Uitweg en Lopikerkapel krijgen een maximale geurbelasting van 2,0 ouE/m3 als 98-percentiel;
de industrieterreinen krijgen een maximale geurbelasting van 8,0 ouE/m3 als 98-percentiel;
het plangebied van Uitweg-noordoost en Benschop-oost een maximale geurbelasting van 4,0 ouE/m3 als 98-percentiel;
de geurgevoelige objecten in het buitengebied krijgen een maximale geurbelasting van 8,0 ouE/m3 als 98-percentiel;
voor bedrijven met minder dan 200 stuks melkrundvee (en 140 stuks jongvee) en/of 50 overige dieren worden de in acht te houden vaste afstanden gehalveerd.
Figuur 17: kaart met de geurnormen per deelgebied
Voor de totstandkoming van het raadsvoorstel met de gebiedsindeling zoals in figuur 17 is weergegeven, heeft het college van burgemeester en wethouders de volgende afweging gemaakt:
de gebiedsindeling is gebaseerd op bestaande ruimtelijke plannen en visies en de hierin gemaakte afwegingen, keuzes en grenzen;
daar waar voor de gebiedsindeling geen duidelijke grenzen zijn voor de gebieden is aangesloten bij de al bestaande jurisprudentie;
industrieterreinen zijn gelet op de productie en woonintensiteit niet gelijk te stellen met een bebouwde kom en krijgen daarom minder geurbescherming dan geurgevoelige objecten in de bebouwde kom;
lintbebouwingen en clusters woningen in het buitengebied krijgen, vanwege de uitgangspunten van de beleidsregel stankhinder en bestaande jurisprudentie, geen bijzondere bescherming;
recreatie en landbouw kunnen goed samengaan in het buitengebied. Een gewijzigde normstelling is daarom niet noodzakelijk;
de afwijkende vaste afstanden aansluiten bij de voorheen geldende afstanden bij veehouderijen die onder de werkingssfeer van een AMvB vielen;
bij deze normstelling (geredeneerd vanaf het zwaartepunt van het bouwblok) 26 intensieve veehouderijen op slot zitten, welke voornamelijk in de lintbebouwing nabij de kernrandzones liggen;
er 1 veehouderij een ontwikkelruimte heeft groter dan een gesloten bedrijf van 3.000 vleesvarkens;
de geurnormen en afstanden aansluiten bij de omliggende gemeenten en hier geen negatieve invloeden op hebben.
Indien er door ontwikkelingen aanpassingen nodig zijn, kan de verordening en bijbehorende op kaart weergegeven gebiedsindeling worden bijgesteld en opnieuw worden vastgesteld.
Hoofdstuk 5.
Artikel 5.2
Motivatie en afwegingen rond de gemaakte keuzes
Onderdeel van Geurgebiedsvisie Lopik