De landbouw heeft in de gemeente Lopik nog altijd een goede uitgangspositie om duurzaam te kunnen produceren. Volgens het CBS zijn de inkomsten in de landbouw in 2016 gestegen. De inkomstenstijging wordt vooral gedragen door de tuinbouw. Ook de varkensboeren hebben volgens het CBS een goed jaar achter de rug. In andere sectoren van de veehouderij en in de akkerbouw waren er minder gunstige ontwikkelingen. Dit is voornamelijk het gevolg van ongunstige prijsontwikkelingen van landbouwproducten, de toename van het aanbod op de wereldmarkt en de hogere kosten van onder meer diervoeders. Terwijl de productie van de Nederlandse landbouw steeg, daalden de inkomsten van landbouwbedrijven.
De veranderende wet- en regelgeving en de schommelende prijzen zorgen voor onzekerheid naar de toekomst. Daarnaast stelt de samenleving steeds hogere eisen. Het gaat om eisen ten aanzien van producten en dierenwelzijn, de bedrijfsvoering en mogelijke hinder voor de directe omgeving en de natuur. Het draagvlak voor sommige typen bedrijven neemt steeds verder af. De meeste agrarische bedrijven worden echter nog altijd niet gedwongen maar vrijwillig beëindigd bij generatiewisseling.
Draagvlak van landbouw
Als gevolg van schaalvergroting en de maatschappelijke discussie over dierenwelzijn, gezondheid en milieu worden agrarisch ondernemers steeds meer uitgedaagd het gesprek aan te gaan met hun omgeving. In de toekomst zal deze dialoog steeds belangrijker worden (Nieuwenhuizen et al 2015). De gemeente Lopik wil een agrarisch ondernemer aanmoedigen om in gesprek te gaan met zijn omgeving. Het besef moet ontstaan dat een goed vooroverleg bijdraagt aan een breder draagvlak voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
De agrarische sector is van oudsher een belangrijke speler in ons landelijk gebied en van belang voor het behoud van de waarden van ons veenweidelandschap. Als gemeente vinden wij het van belang de agrarische sector, en vooral de grondgebonden veehouderij, een goed toekomstperspectief te kunnen bieden. Onder voorwaarden willen wij agrarische bedrijven voldoende ontwikkelruimte bieden voor een toekomstbestendige en doelmatige bedrijfsvoering. De realiteit is echter dat wet- en regelgeving op het gebied van milieu, natuur en dierenwelzijn ons dwingen om duidelijke keuzes te maken in de verdeling van de beschikbare ontwikkelruimte. Waar het in ruimtelijke plannen gebruikelijk was om een groeimogelijkheid tot 1,5 hectare per bouwvlak op te nemen, kan het nu niet langer vanzelfsprekend zijn dat voor elk bedrijf dezelfde groeiruimte wordt gereserveerd. Dit zou kijkend naar de huidige bedrijfsgroottestructuur ook niet reëel zijn. Aan de andere kant willen wij geen enkele ondernemer zijn agrarisch bedrijf (en bestemming) afnemen en iedereen de kans bieden zijn bedrijf rustig voor te zetten, af te bouwen dan wel om te zetten naar een passende vervolgfunctie.
8.2.1. Ontwikkelruimte grondgebonden veehouderij
Ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling van de grondgebonden veehouderij, waaronder de melkveehouderij, geldt dat wij de beschikbare ontwikkelruimte ook daadwerkelijk willen leggen bij
bedrijven met een duidelijk toekomstperspectief. De werkelijke ontwikkelruimte is gelet op de geldende wet- en regelgeving, bijvoorbeeld met betrekking tot stikstofdepositie, beperkt en moet zorgvuldig verdeeld worden om een vitale agrarische sector in onze gemeente te behouden. Dat vereist keuzes. Ook van de gemeente Lopik. Laten we het aan de markt over dan geldt mogelijk het recht van de sterkste of de snelste (wie het eerst komt, het eerst maalt). Geven we iedereen een beetje groeiruimte dan kan dit tot gevolg hebben dat niemand echt genoeg heeft.
Tot nu toe was de bedrijfsgroottestructuur bepalend voor het behoud van de agrarische bestemming. De bedrijfsgroottestructuur werd bepaald aan de van de Nederlandse Grootte Eenheid (NGE, inmiddels vervangen door het eerder genoemde NSO). Bij voldoende NGE werd een agrarisch bedrijf volwaardig betiteld en behield het agrarisch perceel zijn bestemming. Bij onvoldoende NGE, en dus een onvolwaardige bedrijfsvoering, werd het perceel omgezet naar een woonbestemming. Dit is een werkwijze uit de tijd dat de gemeente nog wat nadrukkelijker een regulerende rol aan nam bij het opstellen van ruimtelijk beleid. In de praktijk bleek dat deze “nieuwe” woonbestemming met regelmaat niet aansloot bij het feitelijke, zeer beperkte, agrarische gebruik van het perceel dat ondanks de nieuwe bestemming nog altijd werd voortgezet. Deze manier van bestemmen ging in deze gevallen ook in tegen het gevoel van de agrariër die zich nog weldegelijk boer voelde.
Intensivering en nieuwvestiging
Bij de vaststelling van het geldende bestemmingsplan Landelijk gebied (2008) werd al geconstateerd dat verdere intensivering van de veehouderij in onze gemeente zeer onwaarschijnlijk wordt geacht. Strengere eisen en aanvullende voorwaarden ten aanzien van dierenwelzijn hebben dat beeld voor onze gemeente alleen maar versterkt. In de afgelopen periode hebben een aantal intensieve veehouderijen een nieuwe bestemming gekregen. In het huidige beleid wordt de nieuwvestiging van nieuwe intensieve veehouderij uitgesloten maar zijn er wel mogelijkheden om intensieve veehouderij als neventak bij bestaande bedrijven uit te oefenen. De doorgroei van een intensieve neventak naar een intensieve hoofdtak behoord nu ook nog tot de mogelijkheden. Sinds de vaststelling van het geldende bestemmingsplan zijn er geen nieuwe intensieve agrarische bedrijven ontstaan uit neventakken van grondgebonden veehouderijen. Gelet op het maatschappelijke klimaat en de verdere aangescherpte regelgeving ligt het voor de hand dat deze ontwikkeling in de toekomst in de regels wordt uitgesloten.
Naar de toekomst toe zal de bedrijfsgroottestructuur een indicator blijven voor het vastleggen van groeiruimte voor grondgebonden veehouderijen. Echter zullen ook andere factoren meegewogen worden om de toekomstige groeiruimte van grondgebonden veehouderijen te bepalen. Het gaat hierbij om de oppervlakte van de beschikbare gronden, de leeftijd van het bedrijfshoofd in combinatie met de kans op opvolging, de grootte van een eventuele nevenfunctie en de ligging van het bedrijf. In het vooroverleg met LTO en in de agrarische enquête 2016 zijn deze factoren afgewogen. Een ruimtelijk beleid waarbij elk bedrijf kan groeien naar een bouwvlak van 1,5 hectare wordt niet haalbaar geacht. Dit zou ook niet aansluiten bij de verwachting dat het aantal agrarische bedrijven steeds verder afneemt. Wij streven naar een verdeling van alle bedrijven in twee verschillende categorieën. Aan één kant de toekomstbestendige bedrijven die de ontwikkelruimte tot 1,5 hectare blijven behouden. Aan de andere kant de bedrijven waarvan je, je op het standpunt kunt stellen dat de agrarische bedrijfsvoering niet langer toekomstbestendig is en waarvan aan de hand van de genoemde factoren verwacht wordt dat de bedrijfsactiviteiten op termijn (binnen 10 jaar) beëindigd zullen worden.
Op deze manier legt de gemeente Lopik de nog beschikbare ontwikkelruimte bij de bedrijven die daar in de toekomst ook daadwerkelijk de meeste behoefte aan zullen hebben. De overige bedrijven zullen hun agrarische bestemming, daar waar mogelijk, behouden en dus de kans krijgen hun agrarische bedrijfsvoering voort te zetten. Verdere uitbreidingsmogelijkheden zullen aan deze bedrijven, in eerste instantie, niet worden geboden. Ook omdat onze ervaring vaak leert dat nieuwe ontwikkelingen op deze percelen niet altijd in relatie staan tot de agrarische bedrijfsvoering. Voor wat betreft deze grondgebonden veehouderijen zal de gemeente Lopik zich nadrukkelijk moeten inzetten op het begeleiden en faciliteren van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen als nevenfunctie bij en vervolgfunctie op de agrarische activiteit. Een duurzame grondgebonden ontwikkeling van de agrarische sector draagt bij aan de belevingswaarde, de gebruikswaarde en de toekomstwaarde van ons landelijk gebied.
Uitbreiding bouwvlak groter dan 1,5 hectare?
Het provinciaal ruimtelijk beleid voorziet in de mogelijkheid om agrarische bouwpercelen, onder voorwaarden, te vergroten tot 2,5 hectare. Hoewel wij in onze gemeente zien dat agrarische bedrijven goed uit de voeten kunnen met een bouwvlak van 1,5 hectare is niet uit te sluiten dat enkele bedrijven in de toekomst een grotere ruimtebehoefte zullen ontwikkelen. Aanvullend op de voorwaarden van het provinciaal ruimtelijk beleid wil de gemeente Lopik overwegen medewerking te verlenen aan een bouwvlak groter dan 1,5 hectare als gelijktijdig, elders in het landelijk gebied, voormalige agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesaneerd. Op deze manier kan een verdere agrarische ontwikkeling tevens een oplossing bieden voor de toenemende oppervlakte van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing in onze gemeente (zie paragraaf 8.2.3.).
8.2.2 Verbreding
Verbreding kan voor enkele bedrijven mogelijkheden bieden om de inkomsten aan te vullen. Ons huidige beleid kent uitgebreide mogelijkheden tot het opstarten van nevenfuncties ondersteunend aan de agrarische hoofdfunctie. Dit varieert van agrarische nevenactiviteiten (verbrede landbouw, beheer) tot niet agrarische bedrijfsactiviteiten (opslag, stalling, zorg) en recreatie (nachtverblijf, dagrecreatie, kleinschalige horeca). Opvallend is echter dat relatief weinig agrarische bedrijven in onze gemeente een nevenactiviteit uitoefenen. Een beeld dat bij de vaststelling van het geldende bestemmingsplan ook al bestond en nogmaals is bevestigt in de agrarische enquête 2016. Een groot deel van de bedrijven in Lopik geeft aan een toekomstige nevenfunctie wel te overwegen.
De agrarische sector is van sociaaleconomisch en landschappelijk belang. Daarmee is de agrarische sector bepalend voor de belevingswaarde van het landelijk gebied. Het is belangrijk om agrarische bedrijven voldoende mogelijkheden te bieden om in hun bestaan te kunnen voorzien. Nevenfuncties kunnen hier een wezenlijke bijdrage leveren omdat hiermee de gebruikswaarde van agrarische percelen wordt vergroot. In het landelijk gebied bieden wij agrarisch ondernemers ruimte voor verbreding en innovatie. Bij voorkeur via activiteiten die ondersteunend zijn aan het agrarisch bedrijf en ten dienste staan van de omliggende omgeving, onze kernkwaliteiten en de verbetering van de fysieke leefomgeving (zie beleidsopgave 5). Innovatie is noodzakelijk omdat de bestaande regelingen (ruimte-voor-ruimte) en “reguliere” vervolgfuncties (de B&Bs, de caravanstallingen en aanvullende zorgfuncties) de economische neergang niet volledig zullen compenseren. Er moet meer perspectief komen en ondernemers zullen met creatieve ideeën moeten komen. Dit vraagt van ons een actueel en flexibel afwegingskader waarbij naast de “reguliere” nevenactiviteiten ook ruimte is voor nieuwe activiteiten. Voorwaarde daarbij is altijd dat een nevenfunctie zowel ruimtelijk als economisch ondergeschikt blijft aan de hoofdfunctie. Daarnaast mag de omgeving geen hinder ervaren van de nevenactiviteiten.
8.2.3 Vrijkomend agrarisch bedrijf
Eerder hebben wij al aangegeven dat het aantal agrarische bedrijven verder zal afnemen. Daardoor neemt de oppervlakte en het volume aan vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing verder toe. Lange tijd is er onvoldoende aandacht geweest voor het effect dat de toename van vrijkomende agrarische bebouwing zal hebben op alle facetten van ruimtelijke kwaliteit. De gemeente Lopik zet zich met toepassing van LopikMEerwaard onder andere in op het tegengaan van de negatieve effecten van vrijkomende agrarische bebouwing op de ruimtelijke kwaliteit en op het behoud van de monumentale en karakteristieke waarden van agrarisch vastgoed. De herbestemming van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing staat hoog op de ruimtelijke agenda. Met haar ruimtelijk beleid heeft de gemeente Lopik meer mogelijkheden in het ruimtelijke spoor gecreëerd en ingezet op een ontwikkelingsgerichte werkwijze. Nieuwe ontwikkelingen zijn mogelijk, mits deze tot kwaliteitsverbetering leiden. Bij de herbestemming van de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing moeten zoveel mogelijk belemmeringen worden weggenomen maar moet gelijktijdig ook een reëel beeld gegeven worden van de toekomstige (gebruiks)mogelijkheden van vrijkomende agrarische bebouwing. De belangrijkste belemmeringen bij de beëindiging van agrarische bedrijfsactiviteiten en de herbestemming van agrarische bouwpercelen zijn:
de verplichte sloop van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing;
de vaak ingewikkelde en lange procedures tot herbestemming.
Hittekaart van de dichtheid van tussen 2000 en 2015 vrijgekomen agrarische bebouwing (Bron: BAG, GIAB, bewerking Wageningen Evironmental Research, 2016)
Het afbouwen van een agrarische onderneming is een proces dat al gauw drie tot vijf jaar duurt, en mogelijk nog langer. De agrarische grond wordt doorgaans in gebruik genomen door de overblijvende agrarische bedrijven. Agrarische gebouwen verliezen doorgaans hun agrarische functie en kunnen gebruikt worden voor niet-agrarische doeleinden of staan leeg. De woonhuizen op de vrijkomende erven blijven doorgaans bewoond door de voormalige boer. Op een deel van de erven vindt er verandering in bebouwing en/of inrichting van het erf plaats. De inschatting is dat op 20% tot 25% van deze locaties de bedrijfsgebouwen gebruikt worden voor nieuwe bedrijfsmatige activiteiten. Op de overige erven worden de bijgebouwen hobbymatig gebruikt of staan leeg (T.J.A. Gies et al, 2016). Omdat de meeste vrijgekomen agrarische bedrijfslocaties nog wel bewoond worden, is leegstand vaak moeilijk te herkennen. Uit de perceelscontroles in onze gemeente blijkt een groter deel van de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing gebruikt te worden voor bedrijfsdoeleinden. Het gaat vooral om niet-agrarische bedrijfsdoeleinden of de opslag van niet-agrarische goederen.
Oppervlakte (m2) vrijkomende agrarische gebouwen tot 2030 per gemeente (Bron: BAG, GIAB, BRK, bewerking: Kadaster en Wageningen Environmental Research, 2016)
Uit landelijk onderzoek blijkt dat ruim de helft van alle agrarische bedrijfsbebouwing in ons land gerealiseerd is in de periode tussen 1965 en 1993. Het gaat om bedrijfsbebouwing uit de eerste periode van schaalvergroting, veelal voorzien van asbest dakbedekking. De meeste vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing in onze gemeente stamt ook uit deze tijd. Ten opzichte van moderne bedrijfsbebouwing hebben deze gebouwen een relatief lage bouw- en goothoogte, een kleiner oppervlak en een enigszins landelijke dan wel karakteristieke uitstraling. Voor dergelijke gebouwen is het eenvoudiger om een in de omgeving passende vervolgfunctie te vinden. In de toekomst zal ook de bebouwing uit de periode na 1993 haar agrarische functie verliezen. Hier gaat het om veel grotere volumes, hogere bouw- en goothoogten en een industriële uitstraling. Deze bebouwing is uitsluitend vanuit het oogpunt van de agrarische functie ontworpen, heeft hierdoor een veel grotere impact op de omgeving en leent zich niet zo makkelijk voor vervolgfuncties. Hergebruik van deze stallen wordt moeilijker omdat het effect op het woon- en leefklimaat van de directe omgeving vaak groter is. Over het algemeen wordt de leegstand van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen als een probleem gezien omdat het leidt tot een afname van de vitaliteit van het landelijk gebied (toekomstwaarde), een negatief effect heeft op de landschappelijke karakteristiek (belevingswaarde) en een risico vormt voor
de volksgezondheid vanwege de aanwezigheid van asbest (gebruikswaarde). Het vinden van een passende nieuwe functie voor deze “moderne” stallen zal niet eenvoudig zijn. Er moet eigenlijk nu al nagedacht worden over de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing van de toekomst.
Vooral vanuit de provincie Utrecht wordt ingezet op de verplichte sloop (50%) van de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Uitgangspunt daarbij is dat sloop leidt tot “ontstening” van het landelijk gebied en daarmee tot kwaliteitsverbetering. Minder bebouwing, hogere belevingswaarde. Sloop wordt door de stoppende ondernemer echter gezien als kapitaalvernietiging en dus als een reden om (voorlopig) van herbestemming af te zien. Ook wordt het ervaren als het inleveren van bouwrechten. Voor de stopper betekent dit een afname van de gebruikswaarde. Wat ons betreft moet er een duidelijke balans zijn tussen de belevingswaarde van voormalige agrarische percelen en de gebruikswaarde van de nog aanwezige bebouwing. Zoals eerder aangegeven moeten de belevings- en gebruikswaarde in balans zijn om ook toekomstwaarde te kunnen creëren. Het uitsluitend sturen op het slopen van bebouwing leidt in de praktijk tot onvoldoende ontwikkelingen en sluit niet aan bij de dynamiek voor wat betreft het herbestemmen van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. De gemeente Lopik staat dan ook een meer integrale benadering voor, waarbij de sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing geen eis is maar een middel kan zijn om kwaliteitsverbetering te bereiken.
Experimenteerruimte
Met de vaststelling van de herijking van het provinciaal ruimtelijk beleid heeft de provincie Utrecht de experimenteerruimte, welke uitsluitend van toepassing was op het Eiland van Schalkwijk, bereikbaar gemaakt voor alle gemeenten. Deze experimenteerruimte maakt het mogelijk dat gemeenten in overleg met de provincie Utrecht afspraken maken met betrekking tot een vrijere regulering van specifieke ruimtelijke ontwikkelingen. Dit biedt ruimte om op een innovatieve manier uitnodigingsplanologie te bedrijven. Hierbij moet vooral gedacht worden aan lokale initiatieven. Wij zijn voornemens om met behulp van deze experimenteerruimte in te zetten op meer beleidsvrijheid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit en specifiek de herbestemming van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. In dit kader zien wij mogelijkheden om vanuit de werkwijze van LopikMEerwaard de sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, nog nadrukkelijker te benoemen als passende tegenprestatie voor ruimere ontwikkelingsmogelijkheden elders in het landelijk gebied. De toename van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing vraagt om innovatieve oplossingen. Wat ons betreft is het oprichten van een “sloopbank” van waaruit sloop- en bebouwingsrechten onderling verhandeld en/of uitgeruild wordt een kansrijke oplossing. Ook de inzet van middelen uit het “Vereveningsfonds LopikMEerwaard” ten behoeve van het opkopen van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing wordt door ons gezien als een innovatief instrument om de herbestemming van percelen in beweging te krijgen.
De vaak langdurige en kostbare procedure worden door stoppende ondernemers gezien als een obstakel. Juist met behulp van het nieuw op te stellen bestemmingsplan met verbrede reikwijdte willen wij proberen om lange en kostbare procedures te voorkomen zonder daarbij de rechtszekerheid van belanghebbenden te beperken. Om de negatieve gevolgen van leegstand van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing op te vangen zullen wij moeten inzetten op uitnodigingsplanologie. Samenwerking en maatwerk zullen centraal staan. In de gemeente Lopik zullen nog tientallen gestopte of stoppende ondernemers iets met hun vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing moeten doen. Een groot aantal van deze voormalige ondernemers nemen zelf geen initiatief tot verandering. De gemeente moet deze groep extra aandacht en begeleiding geven via een actieve benadering ter voorbereiding op het bestemmingsplan met “verbrede reikwijdte”.
8.2.4 Overige ontwikkelingen
8.2.4.1 Agrarische bedrijfswoningen en plattelandswoningen
Tijdens de voorbereidende 10-minutengesprekken hebben veel insprekers aangegeven één of meerdere bedrijfswoningen te bezitten. Een deel van deze woningen is inmiddels vervreemd terwijl zij in het bestemmingsplan nog altijd zijn opgenomen als bedrijfswoning. Op elk zelfstandig agrarisch bouwperceel is in principe één bedrijfswoning toegestaan mits er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf en de noodzaak voor een bedrijfswoning aanwezig is. Al ruim voor de vaststelling van het geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied” zijn er op een aantal percelen extra agrarische bedrijfswoningen toegevoegd. Deze woningen werden bewoond door stoppende agrariërs of bedrijfsopvolgers die betrokken waren bij de agrarische bedrijfsvoering. Hierdoor heeft er een sterke verstedelijking plaatsgevonden in het landelijk gebied. Sindsdien is de dynamiek binnen de agrarische sector sterk veranderd. Hierdoor werden steeds meer bedrijfswoningen aan hun agrarische functie onttrokken. Op bouwpercelen met meerdere bedrijfswoningen wordt nu in veel gevallen (minstens) één woning niet bewoond door iemand die betrokken is bij de agrarische bedrijfsvoering.
Door innovatie en verdere technologische ontwikkelingen is de noodzaak om dicht bij het bedrijf te moeten wonen grotendeels komen te vervallen. Gelet op het voorgaande handhaaft de gemeente Lopik zijn standpunt om niet langer mee te werken aan de realisatie van extra agrarische bedrijfswoningen in het landelijk gebied. Bedrijfswoningen die behoren tot het agrarische bouwperceel en bewoond worden door personen die betrokken zijn bij het agrarisch bedrijf zullen als bedrijfswoning aangemerkt blijven. Bedrijfswoningen die bewoond worden door derden die niet verbonden zijn aan de agrarische bedrijfsvoering (dit kunnen ook familieleden zijn), kunnen feitelijk niet gezien worden als bedrijfswoning. Onderzocht wordt of deze woningen als plattelandswoningen aangeduid kunnen worden. Dat betekent dat er iemand die niet op het agrarisch bedrijf werkt in de woning mag wonen zonder dat deze woning een (milieu)belemmering vormt voor het betreffende agrarische bedrijf.
8.2.4.2 Schuilhutten
Bij de beëindiging van grondgebonden agrarische bedrijven gebeurt het regelmatig dat de bijbehorende weidegronden in het bezit komen van verschillende partijen. Niet zelden kopen particulieren (deels) deze gronden voor het hobbymatig houden van vee. Het uitgangspunt is dat bebouwing gesitueerd moet worden binnen het bouwperceel. Dit bouwperceel ontbreekt in veel gevallen ter plaatse van de aangekochte gronden. Dit zou betekenen dat de nieuwe eigenaren geen schuilvoorzieningen kunnen oprichten ten behoeve van het vee. Wij vinden het van belang dat de weidegronden gebruikt kunnen worden voor het houden van vee. Dit waarborgt het karakter en de herkenbaarheid van ons landelijk gebied. In de Nota ruimtelijke kwaliteit Lopik is daarom onder voorwaarden de mogelijkheid opgenomen om schuilhutten (15m2) te realiseren van beperkte omvang. Het is nadrukkelijk de bedoeling dat deze bouwwerken uitsluitend gebruikt worden ten behoeve van zijn voor het bieden van schuil- voeder- en verzorgingsmogelijkheden voor vee. Het gebruik van een schuilhut als een (recreatieve) verblijfsruimte voor mensen wordt uitgesloten. Het plaatsen van schuilhutten is uitsluitend mogelijk op een perceel van 5.000 m2 en niet op “Sniepen”.
8.2.4.3. Paardenbakken
Paardrijden als hobby neemt in Nederland, dus ook in Lopik, toe. Daarmee neemt ook de behoefte aan paardenbakken toe en zijn er heel wat in ons landelijk gebied verschenen. Vooral voormalige agrarische bouwpercelen lenen zich goed voor een vervolgfunctie van wonen met daarbij het houden van paarden. In het geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied” is ingespeeld op deze trend door de mogelijkheid op te nemen om in of aansluitend aan bouwvlakken paardenbakken op te
richten. In de afgelopen periode hebben wij moeten constateren dat onze regels niet aansluiten bij de wens van onze inwoners. In ons geldende beleid wordt voorzien in een paardenbak voor hobbymatig gebruik met een maximale oppervlakte van 800 m2 terwijl in de wedstrijdport een paardenbak van 1200 m2 (officiële maatvoering) gebruikelijk is. Wat ons betreft is een verruiming bespreekbaar. Hieraan zit wel een keerzijde. De uiterlijke verschijningsvorm van een paardenbak, vooral de hekwerken en verlichting, past vaak niet in het open landschap. Om deze effecten te beperken zijn in het geldende bestemmingsplan al voorwaarden opgenomen ten aanzien van de positionering van paardenbakken en de bouwhoogten van bijbehorende bouwwerken, zoals verlichting. Met de vaststelling van de “Nota ruimtelijke kwaliteit Lopik” zijn verdere eisen gesteld aan de verschijningsvorm en het materiaalgebruik.
Ook in het toekomstig beleid blijft het nadrukkelijk niet de bedoeling dat particuliere paardenbakken gebruikt kunnen worden ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten in de vorm van een manege. Bestaande maneges kunnen hun activiteiten voortzetten en het oprichten van een nieuwe manege ter plaatse van een voormalig agrarisch bouwperceel blijft, onder voorwaarden, mogelijk. De ontsluiting en de verkeersaantrekkende werking spelen een belangrijke rol bij de inpasbaarheid van deze functie. Binnenrijbanen worden niet mogelijk gemaakt.