1. De draagkracht in het inkomen en vermogen wordt vastgesteld over een periode van 12 maanden, te rekenen

vanaf de eerste dag van de maand waarin de in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 2 voor het

eerst zijn gemaakt.

2. Voor de vaststelling van de draagkracht als bedoeld in het vorige lid wordt de draagkracht die is vastgesteld

per maand, toegerekend naar een periode van 12 maanden.

3. De vastgestelde draagkracht als bedoeld in lid 2 wordt in geval van incidentele bijzondere noodzakelijke

kosten in één keer in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten.

4. In geval van periodieke bijzondere noodzakelijke kosten wordt de draagkracht als bedoeld in lid 2 gespreid

over de maanden waarover de bijzondere bijstand wordt toegekend met een maximum van 12 maanden en

naar evenredigheid in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten.

5. Bij samenloop van incidentele en periodieke bijzondere noodzakelijke kosten wordt de draagkracht bij

voorrang verrekend met de incidentele kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt toegekend.