1. Initiatiefnemers van bodemingrepen (de ‘veroorzakers’)

De gemeente kan van een aanvragers verlangen dat zij archeologisch onderzoek verrichten. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een bouw-. sloop- of aanlegvergunning. De Monumentenwet maakt dit mogelijk. Ook wanneer een initiatiefnemers een ontheffing of wijziging van een bestemmingsplan aanvraagt, kan de gemeente de verplichting tot archeologisch onderzoek opleggen. Hierbij vraagt de gemeente aan initiatiefnemers hoe zijn bij geplande bodemverstorende ingrepen met aanwezige archeologische waarden omgaan. Zij moeten dit in een vroegtijdig stadium aangeven De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de kosten van het archeologisch onderzoek. De initiatiefnemer kan de kosten, die de archeologische monumentenzorg met zich meebrengt, doorberekenen naar derden. Private ontwikkelaars kunnen de kosten voor archeologie doorberekenen in bijvoorbeeld de huizenprijs. Als de gemeente zelf het initiatief neemt, kan zij de kosten voor archeologisch onderzoek ook in de grondprijs doorberekenen. Zij kunnen dit ook verrekenen via een grondexploitatieplan.

De initiatiefnemer mag verwachten dat de gemeente dat duidelijk maakt waarom archeologisch (voor)onderzoek nodig is. Dit kan bijvoorbeeld in de toelichting van het bestemmingsplan gebeuren. De voorkeur gaat er naar uit dat dit wordt aangevuld en onderbouwd door een duidelijk archeologiebeleid. De keuze van archeologisch ‘gevoelige’ zones wordt daarin duidelijk gemaakt. De gemeente kan richtlijnen geven voor de manier waarop initiatiefnemers het archeologisch onderzoek moeten uitvoeren. Dit gebeurt meestal in een programma van eisen.

2. Onderzoekers

a. Marktpartijen

Sinds 2001 mogen behalve de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed gemeenten en universiteiten ook gekwalificeerde bedrijven archeologische werkzaamheden uitvoeren. Om de kwaliteit van de archeologische dienstverlening te waarborgen is een systeem van kwaliteitszorg opgezet. Alleen bedrijven of instanties die hiervoor bevoegd zijn3 Het doen van opgravingen volgens de Monumentenwet: “het verrichten van werkzaamheden met als doel het opsporen of onderzoeken van monumenten, waardoor verstoring van de bodem optreedt”. Hiertoe behoort ook archeologisch booronderzoek. mogen archeologische opgravingen uitvoeren. Zij moeten zich bij het uitvoeren van archeologische opgravingen volgens de AMZ-cyclus houden aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De Erfgoedinspectie heeft het toezicht op de naleving hiervan.

b. Universiteiten

De financieringsmogelijkheden voor zuiver wetenschappelijke opgravingen door universiteiten zijn er bijna niet meer sinds de introductie van de ‘Malta-archeologie’. De meeste universiteiten hebben daarom ondertussen een eigen archeologisch bedrijf opgericht. Dat verricht op commerciële basis archeologische werkzaamheden. Volgens de Monumentenwet mag de Minister beslissen dat een universitaire vakgroep een opgraving moet uitvoeren. Dit kan als een vindplaats van uitzonderlijk wetenschappelijk belang is

c. Amateurs en vrijwilligers

Amateur-archeologen van de Heemkundevereniging Maas- en Swalmdal zijn erg belangrijk voor de archeologie in de gemeente Beesel. In het verleden voerden hun amateur-archeologen zelfstandig opgravingen uit onder supervisie van de provinciaal archeoloog. Met de professionalisering van de archeologie is de inzet van amateurs en vrijwilligers bij archeologisch veldwerk nog steeds mogelijk.

De plaatselijke kennis en deskundigheid die bij de Heemkundevereniging aanwezig is, is groot. Het ligt het voor de hand dat zij bij de uitvoering van onderzoeken nadrukkelijk een rol krijgt toegewezen.