De gemeente Beesel is rijk aan archeologie. Vrijwel elke periode van het Paleolithicum tot de Nieuwe Tijd is vertegenwoordigd. De landschapsvormen (geomorfologie) en bodems die in de gemeente Beesel voorkomen, zijn in het verleden voor een groot deel bepalend geweest bij de keuze van een nederzettingslocatie. De gemeentegrens van Beesel wordt min of meer gevormd door natuurlijke grenzen: in het noorden de Schelkensbeek, in het oosten het beboste hoogterras, in het zuiden de Swalm en in het westen de Maas. De archeologische vondsten concentreren zich ten westen van de Rijksweg N271 die de gemeente Beesel van zuid naar noord doorsnijdt. Uit historische bronnen kan afgeleid worden dat het gebied rond Meerlebroek in het verleden uit moerasland bestond. Dit is een gebied met een relatief jonge bewoningsgeschiedenis. De geschiedenis van Beesel speelt zich vrijwel uitsluitend af tussen Maas en Meerlebroek.

Monumenten

Op het grondgebied van Beesel liggen dertig geregistreerde archeologische terreinen variërend van ‘van archeologische waarde’ tot ‘van zeer hoge archeologische waarde’, één terrein is een archeologisch Rijksmonument. Het betreft een inheems-Romeinse nederzetting uit de 2e en 3e eeuw op het stuifduin de Solberg. Onder de overige AMK-terreinen bevindt zich een aantal, relatief grote, terreinen met aanwijzingen voor bewoning in de Steentijd en de Metaaltijden. Uit de Romeinse tijd zijn enkele villa- en nederzettingsterreinen alsmede een grafveld bekend. De Middeleeuwen worden vertegenwoordigd door twee moated sites en een nederzettingsterrein bij Lommerbergen. Tot de Nieuwe Tijd tenslotte behoren enkele schansterreinen.

Monumentnr.ToponiemPlaatsVindplaatsDateringWaarde
227De SolbergBeeselNederzettingRomeinse tijdZHAWB
8446DonderbergRijkelNederzettingPaleolithicum-NeolithicumZHAW
VillaRomeinse tijdZHAW
8674HaseltBeeselNederzettingPaleolithicum-NeolithicumZHAW
GrafveldLate Bronstijd-IJzertijdZHAW
NederzettingIJzertijdZHAW
8675HaseltBeeselNederzettingIJzertijdZHAW
NederzettingPaleolithicum-NeolithicumZHAW
GrafveldLate Bronstijd-IJzertijdZHAW
8677De KampReuverNederzettingLate Middeleeuwen AAW
8680Bussereind-OostBussereindNederzettingMesolithicum-NeolithicumAB
8681Bussereind-CentrumBussereindNederzettingPaleolithicum-NeolithicumAW
8682Bussereind-CentrumBussereindNederzettingMesolithicum-NeolithicumAW
8683Centrum; Bussereind-ZuidBussereindNederzettingIJzertijdAW
NederzettingPaleolithicum-NeolithicumAW
8684Centrum; Bussereind-ZuidBussereindNederzettingPaleolithicumAW
8685Beesels BroekBussereindSchansLate Middeleeuwen B- Nieuwe Tijd BAW
8688Het BroekBeeselNederzettingPaleolithicum-MesolithicumAW
8692Tas- of HuilbeekBeeselNederzettingNederzetting Mesolithicum-NeolithicumAW
11070PrinsendijkBeeselWegRomeinse tijdHAW
11178JagerhuisBussereindNederzettingMesolithicum-NeolithicumHAW
NederzettingIJzertijdHAW
11195SmeetshofRijkelNederzettingPaleolithicum-NeolithicumHAW
Romeinse tijdHAW
Late MiddeleeuwenHAW
11252De Kamp; De Oude ScheiReuverMoated siteLate Middeleeuwen BZHAW
11253Bussereind; Waterloo; JagerhuisBussereindNederzettingPaleolithicum-NeolithicumHAW
IJzertijdHAW
11254Lichteveld; Dreessen CampkenBeeselUrnenveldLate Bronstijd-IJzertijdHAW
11255Het Broek; TurfheiBeeselNederzettingMesolithicum-NeolithicumZHAW
11256PrinsendijkBeeselWegRomeinse tijdHAW
11257Bussereind; Hof gen RadeBeeselHuisplaatsLate MiddeleeuwenHAW
11258De Weerd; Bentheimer SchansReuverSchansNieuwe Tijd AZHAW
15592OuddorpBeeselKerkLate Middeleeuwen A-Nieuwe tijd BHAW
16310RijkelRijkelOude dorpskernLate Middeleeuwen-Nieuwe TijdHAW
16698BeeselBeeselOude dorpskernLate Middeleeuwen-Nieuwe TijdHAW
16741LeeuwenLeeuwenOude dorpskernLate Middeleeuwen-Nieuwe TijdHAW
16742ReuverReuverOude dorpskernLate Middeleeuwen-Nieuwe TijdHAW
Het beschermde rijksmonument op de Solberg is reeds beschermd via de Monumentenwet 1988. De overige AMK-terreinen in de gemeente Beesel genieten nog geen bescherming. De gemeente Beesel zal voor deze terreinen een vorm van bescherming realiseren in een nieuwe gemeentelijke monumenten- of erfgoedverordening. De gemeente Beesel zal behalve op de bescherming van deze terreinen, tevens inzetten op het versterken van de beleefbaarheid van de vindplaatsen die zich hiervoor lenen.

Steentijd

De oudste resten van menselijke activiteit in de gemeente Beesel bestaan uit (vuur)stenen werktuigen uit het Midden-Paleolithicum. De makers en gebruikers van deze werktuigen waren de Neanderthalers.

Hun kampementen lagen op de plateaus van de Maasterrassen.

Na de IJstijd werd het klimaat milder. Er kwam meer begroeiing, de samenstelling van het wild veranderde en het wild bleef langer op één plek. Hierdoor bleven de jagers ook langer op dezelfde plek. Er ontstonden woonden samen in kampementen die een wat blijvender karakter kregen. Een concentratie van waarnemingen van Paleolithische vondsten bevindt zich op het lage terras langs de Maas.

Rond 8.800 v. Chr. (Mesolithicum) warmde het klimaat verder op. De begroeiing veranderde sterk. Op de kale toendra’s ontstonden bosgebieden. De dichtere vegetatie bood voedsel en beschutting aan een andere fauna. Dit bood mogelijkheden voor een niet zwervend bestaan: de omgeving voorzag in voldoende jachtdieren en plantaardig voedsel. Men vestigde zich ook nu op de hogere gelegen terreinen, zoals het Haselt en het Maasveld, om zich te beschermen tegen overstromingen.

In de loop van de tijd doet de landbouw zijn intrede in West-Europa en ook in onze streken. Omstreeks 5300 v. Chr. (Neolithicum) verschijnen de eerste landbouwers in Limburg. De overgang van nat naar droog was zeer aantrekkelijk voor de jager-verzamelaars. Ze vestigden zich meestal wel op de hogere, droge delen van zo’n overgang in het landschap. Van de overblijfselen van neolithische samenlevingen springen de grafheuvels het meest in het oog.

Metaaltijden

In de Bronstijd zijn landbouw en veeteelt de voornaamste vormen van bestaan. Dit uit zich in de bouw van boerderijen met een stalgedeelte, die ook nu op de hoger gelegen zones zijn gebouwd. De hogere landschapsgedeelten werden gekozen omdat ze minder getroffen werden door overstromingen. Op alle hogere landschapsdelen langs de Maas zijn nederzettingen te verwachten.

In de Late IJzertijd veranderde het nederzettingssysteem. De boerderijen werden herbouwd op dezelfde plek. In deze periode ontstaan dorpjes (waarin meerdere boerderijen tegelijkertijd bestaan).

Mogelijk werden nederzettingsterreinen in deze periode in enkele gevallen kunstmatig opgehoogd met nederzettingsafval om zo veiliger voor overstromingen te zijn, een soort terp.

Recent onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat metalen voorwerpen uit de Bronstijd in Zuid-Nederland en Noord-België in grote getale afkomstig zijn uit natte, ‘natuurlijke’ plaatsen in het landschap. Hierbij moet worden gedacht aan gebieden als moerassen, rivieren, beekdalen, bronnen en vennetjes. Er wordt algemeen van uitgegaan dat het om kostbaarheden gaat die bewust door prehistorische gemeenschappen zijn opgegeven of ‘geofferd’. Deze traditie gaat al terug tot in de Steentijd. De plaatsen waar vondsten kunnen worden aangetroffen liggen bijvoorbeeld daar waar de rivieren samenkomen of in perifere gebieden als het moerassige Meerlebroek.

Gegevens uit vindplaatsen in ‘natte context’ kunnen veel nieuwe informatie opleveren. Het onderzoek naar deze vindplaatsen staat nog in de kinderschoenen. De gemeente Beesel zal bij ontwikkelingen in laaggelegen, natte landschapsdelen extra aandacht besteden aan archeologisch onderzoek. Hierbij wordt onder andere gedacht aan terreinen zoals moerassen, rivieren, beekdalen, bronnen en vennetjes. Het onderzoek wordt gericht op het opsporen van vondsten.

Romeinse tijd

In 12 v. Chr werd het deel van het huidige Nederland ten zuiden van de grote rivieren ingelijfd bij het Romeinse rijk. Limburg behoorde tot de provincie Germania Inferior. Een belangrijke verbindingsweg liep vanaf Xanten naar de Maasvallei om vervolgens langs de oostelijke oever van de Maas uit te komen op de verbindingsweg Keulen-Boulogne. Een groot deel van de Romeinse weg in de gemeente Beesel kon aan de hand van terreinverkenningen door de plaatselijke heemkundevereniging in kaart worden gebracht. Vanaf de Witte Steen bij Reuver loopt de weg langs de Duits-Nederlandse grens over de Prinsendijk. De weg lijkt op een aantal punten georiënteerd op natuurlijke hoogten. De route liep op Beesels grondgebied over het hoogterras. Het gebied onder langs het hoogterras is vrij vochtig met bronnen met kwelwater. Waarschijnlijk was het in de Romeinse tijd ook een vochtig gebied. Delen van de Romeinse weg zijn in de gemeente Swalmen aangemerkt als beschermd monument, in de gemeente Beesel als terrein van hoge archeologische waarde. Soms zijn de Romeinse wegen in de loop van de Middeleeuwen opgenomen in een nieuwe wegennet.

Langs de Romeinse wegen lagen veelal ook de grafvelden.

Van de Romeinse vindplaatsen in Limburg zijn de villae het bekendst, met name op de vruchtbare lössgronden in Zuid-Limburg en op andere vruchtbare bodems, zoals de rivierkleigronden van Beesel.

De Romeinse weg die door de gemeente Beesel loopt, is een opvallend en historisch zeer interessant fenomeen. De weg spreekt bovendien tot de verbeelding bij de inwoners van de gemeente, en bij recreanten. De gemeente Beesel zal aandacht besteden aan het zichtbaar maken dan wel houden van dit deel van de Romeinse weg.

Middeleeuwen

Vanaf 400 na Chr. breekt de Frankische periode aan. De Vroege Middeleeuwen zijn slecht vertegenwoordigd in het vondstmateriaal. De enige vroegmiddeleeuwse resten die in de gemeente bekend zijn, zijn ongeveer 250 meter ten zuidwesten van de St. Lambertuskapel gevonden aan de Sangersweg. Mogelijk wijzen deze vondsten op de locatie van een Merovingische nederzetting. Vrijwel alle bewoning bleef geconcentreerd in de strook tussen Maas en Meerlebroek.

Vanwege het vrijwel ontbreken van vondsten en vindplaatsen uit de Vroege Middeleeuwen, zal aan deze periode extra aandacht worden besteed bij archeologisch onderzoek waarbij de kans op het aantreffen van resten uit deze periode aanwezig is.

In de Middeleeuwen was het landschap dynamisch. De Maas verplaatste haar bedding regelmatig en de overstromingen die het Maasdal teisterden waren van grote invloed op de mogelijkheden van de mens om het Maasdal te bewonen en gebruiken. De bewoning concentreerde zich op de hoger gelegen delen in, nu nog bestaande, dorpen. Na 1000 groeide de bevolking. Grote gebieden werden ontgonnen, steden werden gesticht. Het laaggelegen gebied is nog steeds minder geschikt voor bewoning maar is wel goed bruikbaar voor de bouw van watermolens en baksteenovens.

Uit de periode 11e – 13e eeuw zijn weer meer gegevens bekend uit de gemeente Beesel. De nog bestaande woonkernen in de gemeente Beesel zijn alle in de Middeleeuwen of kort daarna ontstaan:

  • - Van Rijkel is een vroege vermelding bekend uit de 10e eeuw (Rikilo). In de 14e eeuw wordt het buurtschap genoemd als Rikel.
  • - De oude dorpskern van Beesel ligt in het gedeelte dat nu Ouddorp wordt genoemd. Hier liggen de oudste huizen en de oude kerk die op het hoogste punt van het dorp is gelegen. De nederzetting ontstond in de 12e eeuw op een langgerekte noord-zuid lopende rug aan de Maas. De bewoningskern Beesel kan in haar oorspronkelijk vorm gekarakteriseerd worden als een kransakkerdorp: een dorp bestaande uit een krans van langs een centrale akker gelegen buurtschappen met een centraal daartussen gelegen kerk- of marktdorp. De uitbreiding van de bebouwing vond plaats langs oude wegen.
  • - De Nieuwstraat in Beesel gaat over in de Bussereindseweg. Deze weg loopt langs de rand van een oude Maasarm en is als zodanig waarschijnlijk een van de oudste wegen in Beesel, met name het gedeelte tussen Nieuwstraat en Waterloseweg. In een lintbebouwing liggen van oudsher vele boerderijen. Deze bebouwing vormt Bussereind. De naam heeft waarschijnlijk te maken met de aanwezigheid van een bos. De vroegste vermeldingen dateren uit de 16e eeuw, zoals Busserendt (1534), Beusserendt (1596) en Bussereyndt (1600).
  • - Het gehucht Reuver begon als een enkel huis dat in 1547 den Roever genoemd wordt. Reuver bleef tot de 19e eeuw bescheiden van omvang en werd gekarakteriseerd door lintbebouwing langs de weg Roermond-Venlo.
  • - Het voormalige gehucht Leewen is ontstaan rond een omgrachte middeleeuwse herenhoeve. De naam Leewen duidt op een heuvel, in dit geval wordt daarmee waarschijnlijk een van de aangrenzende stuifzandkopjes bedoeld. De eerste vermelding van de herenhoeve, genaamd “den Hof tot Lewen”, dateert uit 1358. Op basis van het aardewerk dat in het plangebied door de heemkunde-vereniging Maas- en Swalmdal werd verzameld, bestaat het vermoeden dat de herenhoeve reeds van voor 1250 dateert. Wie de boerderij heeft laten bouwen is tot op heden niet duidelijk, vermoedelijk komen als eersten de kasteelheren van Kessel in aanmerking.
  • - De benaming Ronckenstein dateert uit de 16e eeuw. Het woord lijkt een samenstelling te zijn van het klanknabootsende 'ronken' en de onvermijdelijke molensteen. Zeker is deze verklaring echter niet.
  • - De vroegste vermelding van Offenbeek dateert uit 1294 in de persoon van Gerardus van Offenbeck, schout van Venlo en ambtman van Krieckenbeck. In een akte uit 1382 is voor het eerst sprake van Offenbec als plaats. Hiermee werd in die tijd een aanzienlijk groter gebied aangeduid dan tegenwoordig, dat zich langs de Schelkensbeek uitstrekte tot aan de Maas.

Nieuwe Tijd

Van het landschap van 200 tot 300 jaar geleden kunnen we een redelijk goed beeld vormen aan de hand van de Tranchot kaarten. Volgens de Trachotkaart uit 1807 behoorde een deel van het gebied ten oosten van de huidige N271 tot een moerassige zone het ‘Merlebroek’. Op de drogere delen kwam heide voor. Tot in de 19de eeuw waren dergelijke gronden minder geschikt voor gebruik als akkers en werden ze vooral gemeenschappelijk gebruikt. Toch werd zorg besteed aan deze gronden omdat ze bijvoorbeeld voor het steken van plaggen belangrijk waren. Ook het vee werd op de heide geweid. Tegen het einde van de 19de eeuw werd door de ontwikkeling van de kunstmest nieuwe ontginning aantrekkelijk. Het Meerlebroek werd door de ontwatering te verbeteren omgezet in gras- en akkerland. In de ontwatering werden grote investeringen gedaan. Daarom werden deze uitgevoerd door kapitaalkrachtige particulieren of door de overheid.

Boerderij Bergerhof dateert uit 1858. Het gebied waar deze boerderij werd gebouwd was op dat moment in ontginning.

Ondanks de ontginning van het Meerlebroek eind 19e eeuw bleef er nog veel bos en heide over. Wel was het huidige wegenstelsel en een deel van het slotenpatroon al aangelegd. Pas in de 20e eeuw is het gebied volledig in cultuur gebracht door een grote rechthoekige of vierkante kavelstructuur. Het resultaat is een grootschalig en systematisch ingericht landschap. In 1958 werd door een staatscommissie besloten dat verdere ontginningen niet meer gewenst waren. De overgebleven woeste gronden moesten een recreatieve bestemming krijgen.

Op het grondgebied van de gemeente Beesel liggen vier schansen: twee militaire schansen en twee vluchtschansen.

  • - Het bekendst is de laatmiddeleeuwse Bentheimerschans of de schans St. Brigitte. Deze militaire schans werd in 1579 in opdracht van Alexander Farnese, prins (later hertog) van Parma aangelegd.
  • - Een tweede militaire schans lag vlakbij het voormalig veerhuis “De Schans” bij het Kesselse veer. In november 1703 gaf de commandant van Venlo aan de ambten Kessel en Montfort, waartoe Beesel behoorde, opdracht tot het maken van een schans tegenover het veer te Kessel.
  • - In het Beesels Broek lag de ‘Schans tot Besel’, vlakbij de Tas- of Huilbeek, die voor de afwatering zorgde van het drassige broekland. Een eerste vermelding van de schans dateert uit 1639/40, maar mogelijk is de schans ouder. Het was een vluchtschans die ter bescherming diende van burgers in tijden van oorlog.
  • - Een tweede vluchtschans lag in het buurtschap Leewen, niet ver van de overgang van het laagterras naar het winterbed van de Maas. Op de historische kaart uit 1662 van Muliex staat deze schans duidelijk aangegeven met een omgrachting.

In de gemeente Beesel hebben op meerdere locaties veldbrandovens gelegen. Veldovens waren meestal gelegen vlakbij die plaatsen waar de klei gedolven werd zodat men niet ver met de grondstof voor de baksteen hoefde te slepen. Een naam als “De Leemkuilen” bij Beesel verwijst naar de vroegere steenfabricage ter plaatse. Steen- en pannenovens zijn in Limburg bekend uit de Romeinse periode. Onder andere zijn ze aangetroffen bij Swalmen en Belfeld. Na het vertrek van de Romeinse legioenen ging de techniek van het steenbakken verloren en verdween baksteen voor lange tijd als bouwmateriaal uit de Lage Landen. Pas in de 12de eeuw wordt op kleine schaal weer met baksteen gewerkt. Daarvóór werden gebouwen van hout of natuursteen gemaakt. De percelen waar veldovens te verwachten zijn, zijn opgenomen op kaartbijlagen 1 en 3 van de verwachtingskaar.

Op de Smaberskaart staan bij het toponiem Roovers Heijde vlasrotten aangegeven. De locatie ligt ongeveer 250 meter ten noorden van de huidige Heidweg. Waarschijnlijk zijn hier rootkuilen aangegeven. Een van de eerste stadia in de vezelproductie is het roten. Tijden het roten komen de vezelbundels los te liggen van de houtpijp. Dit gebeurt in water onder invloed van bacteriën die de pectine waarmee de vezelbundels vastzitten aan de houtpijp afbreken. Vroeger werd vaak geroot in gegraven putten, vijvers of afgedamde grachten met stilstaand water. De bundels vlas werden rechtop in de met schoon water gevulde kuil gezet.

Langs de huidige Rijksgrens ligt een aantal bunkers uit 1944. Ze maken deel uit van het noordelijke deel van de Westwall die ter verdediging van het Duitse grondgebied in de Tweede Wereldoorlog diende. Op diverse locaties in de gemeente zijn in het bosgebied restanten van loopgraven zichtbaar. Tevens zijn aan de Duitse zijde de loopgraven nog te zien alsmede in het Swalmense gebied. Van tankgrachten zijn op twee locaties nog restanten aanwezig, zo is in het noordelijk deel van de gemeente, grenzend aan de Schelkensbeek, de tankgracht over honderden meters te volgen.

In gebied de Donderberg zijn ook nog restanten van loopgraven aanwezig

In het kader van Belvedere is op het gebied Leeuwen/De Weerd een ruimtelijke visie en realisatiestrategie uitgevoerd. Het gebied ligt tussen de bebouwde kom van Reuver en de Maas. Het is een bijzonder gebied, zowel landschappelijk als cultuur-historisch. Het gehele gebied tussen de Lommerbergen, de kern Reuver en de Maas werd onderzocht. In het gebied bevinden zich veel historische restanten, variërend van sporen uit de Steentijd tot en met de Tweede Wereldoorlog.

Wanneer in het Belvederegebied Leewen/De Weerd bodemverstorende activiteiten plaatsvinden, wordt altijd een passend archeologisch onderzoek uitgevoerd.