Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.3

Locatie: esthetica, inpassing, verbetering kwaliteit en ecologie

Onderdeel van Toetsings-KODE Beesel - Toetsings-Kader voor Opwekking Duurzame Energie

Zonneparken kunnen in het (directe) zicht van omwonenden liggen. Het zicht op de panelen speelt dan ook een belangrijke rol. Om het zicht op de panelen te beperken moet de initiatiefnemer het zonnepark voorzien van een passende inkadering in het gebied en moet een afstand aangehouden worden tot de randen van het perceel van ieder geval 5 meter. De bestaande verkavelings- en/of beplantingsstructuur is leidend voor de inpassing van een zonnepark. Om te voorkomen dat de inpassing veel later of helemaal niet wordt gerealiseerd dient de inpassing gereed te zijn voordat de panelen geplaatst worden. Een goede ruimtelijke inpassing heeft te maken met de wijze waarop een zonnepark ruimtelijk logisch aansluiting vindt bij de kenmerken van de locatie waar deze beoogd wordt. Dit vraagt telkens om andere oplossingen en een voor die locatie passend plan. Iedere locatie heeft daarbij zijn eigen verhaal en kenmerken zoals bebouwingsstructuren, verkavelingspatronen en landschapselementen. Zowel voor kleine als grootschalige zonneparken moet het landschap leidend zijn voor de inrichting en vormgeving. Hiervoor zijn op verschillende schaalniveaus ontwerpprincipes en –eisen voor een landschappelijke inpassing. Te weten, het landschap, de kavel en het object. Nieuwe ingrepen mogen het landschap wel veranderen maar niet overheersen omdat andere belangen zoals toerisme, leefbaarheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit een belangrijke rol moeten blijven spelen. Ontwerpprincipes We hebben een aantal ontwerpprincipes opgesteld die we initiatiefnemers vooraf meegeven en waarop we toetsen en afwegen. Kwaliteitseisen voor panelen op water is maatwerk. De ontwerpprincipes maken onderscheid tussen het niveau van het landschap, de kavel en het object. Bijlage 3 bevat een leidraad die ondersteunend is bij het ontwerpen van een zonnepark. Van de initiatiefnemer verwachten we in ieder geval een landschappelijke inpassingsstudie met aandacht voor cultuurhistorische waarden, inpassing, flora en fauna, wegenstructuur en visualisaties. Als gemeente willen we ‘overwoekering’ van het landschap door zonneparken voorkomen. Reden dat we continu kijken naar het cumulatieve effect van meerdere parken op een hoger schaalniveau. Vanwege het cumulatieve effect zijn in open landschappen een beperkt aantal grote zonneparken beter inpasbaar, dan een groot aantal kleine. Voor besloten landschappen geldt het omgekeerde. Dubbel ruimtegebruik, zoals combinaties met (stroken)landbouw, water, begrazing, biodiversiteit, natuurontwikkeling of parkeren wordt toegejuicht. Monitoren in het veld Ervan uitgaande dat een zonneweide voldoet aan de eisen zoals gesteld onder uitgangspunt 7, zijn er redenen om een positieve ontwikkeling van de vegetatie te verwachten, in termen van biodiversiteit. Omdat nog veel niet bekend is rond de effecten van zonneparken, stellen we voor om een vijfjaarlijkse monitoring op te zetten. Gemeente vraagt initiatiefnemer om een (uniform in opzet) 0-meting van de bodem, wat betreft organisch stofgehalte, bodemleven en bodemstructuur en 0-meting van de biodiversiteit. Dit voor rekening van de initiatiefnemer.

Rechtspraak bij dit artikel