De mogelijkheid partner te worden in een plan, om de gemeenschap en/of gemeente mede-eigenaar te laten worden, is een belangrijk aspect om te komen tot een geaccepteerd plan. Dit kan door financiële participatie mogelijk te maken. Een voorbeeld is de verlaagd tariefregeling (de postcoderoos), maar ook een project waarin inwoners en bedrijven een aandeel of certificaat kunnen kopen. Doel is ervoor te zorgen dat de revenuen van lokale opwekprojecten ook meer lokaal en regionaal blijven. Financiële participatie heeft over het algemeen een negatieve invloed op een business case, aan participanten moet immers een marktconforme rente of dividend betaald worden. Voor initiatieven van coöperaties is de hefboom van participaties juist noodzakelijk om bancaire financiering te organiseren. De business case bepaalt mede de mate van de mogelijkheden voor participatie. Uitgangspunt is te streven naar een substantieel lokaal eigenaarschap.
In het concept Klimaatakkoord (medio 2019) is opgenomen dat voor 2030 de helft van de opwek van hernieuwbare energie, zoals zonne- en windenergie, in eigendom is van burgers en bedrijven uit de lokale omgeving. Als gemeente sluiten wij ons aan bij dit streven uit het Klimaatakkoord.
Per project kunnen de wensen van bedrijven en bewoners uit de omgeving om mee te profiteren verschillen. Dit geldt ook voor de mogelijkheden. De partij die het initiatief neemt voor het project (bijvoorbeeld een bedrijf of energiecoöperatie) gaat daarom in gesprek met de omgeving om hierover afspraken te maken.
Wij gaan uit van de volgende streefcijfers rond participatie (zie tabel hieronder). Dit kan dus lopen via een coöperatie, zoals Joris Wekt Op, maar kan ook lopen via een constructie die de initiatiefnemer organiseert. Naast of in plaats van een coöperatieve participatie is het ook mogelijk dat de gemeente direct of indirect deelneemt in een zonnepark. Reden hiervoor kan zijn dat de coöperatieve participatie niet van de grond komt, maar ook omdat de gemeente bijvoorbeeld gronden inbrengt of weloverwogen strategisch een positie wil innemen.
Uitgangspunt is dat de initiatiefnemer minimaal 10% (en bij voorkeur meer) van het park (in opgesteld vermogen of oppervlak) ter beschikking stelt voor een bepaalde vorm van participatie door inwoners, bedrijven en organisaties uit de gemeente. Een mix van coöperatieve en gemeentelijke participatie kan ook aan de orde zijn. De opbrengsten uit de energietransitie moeten zo veel mogelijk terugvloeien naar de gemeenschap en worden ingezet voor klimaatdoelen.
Nota bene: ervaring wijst uit dat commerciële bedrijfsdaken zich minder makkelijk lenen voor toepassing van een participatiemodel. Publieke daken (zoals bij De Schans is gebeurd), waar een zogenaamde postcoderoos is gerealiseerd, lenen zich hier beter voor. Betekent dus niet dat het coöperatief streven op 0% staat, maar bij gelegenheid hoger mag liggen.
Vaak is de gedachte dat inwoners een zonnepark sneller zullen accepteren als ze financieel kunnen meeprofiteren. Dat is in de praktijk niet zo eenduidig waarneembaar en te verwachten. De aantasting van het landschap of het ervaren woongenot laat zich niet in geld uitdrukken. De sleutel voor (meer) acceptatie ligt vooral in het volgen van een zorgvuldig proces.
Flankerend:
Om invulling te kunnen geven aan coöperatief mede-eigenaarschap is het belang te kunnen leunen op een of meerdere energie coöperatie(s) die hierop toegerust is/zijn. Voor de verdere professionalisering van deze organisatie(s) overweegt de gemeente middelen beschikbaar te stellen.
Lukt de coöperatieve borging niet of onvoldoende of niet snel genoeg (er is dan eigenlijk sprake van ‘participatiefalen’), wil de gemeente kijken of ze ofwel zelf positie kan nemen, dan wel kan borgen dat het coöperatieve aandeel beschikbaar blijft voor de lokale partners. Momenteel loopt in samenwerking tussen de gemeenten Beesel, Horst aan de Maas en Venray een onderzoek naar de positionering van de gemeenten in energietransitie. Kansen en risico’s die samenhangen met het innemen van bepaalde rollen worden verder uitgespit. Resultaten volgen op later tijdstip.
Ter promotie van coöperatief eigendom onderzoeken we of het denkbaar is om bijvoorbeeld bij 50% of meer lokaal/coöperatief eigendom de legeskosten terug te storten als dit bereikt is.
Zonneparken hebben impact op de omgeving en claimen veelal ruimte die nu ergens anders voor gebruikt wordt. Binnen het Ruimtelijk KwaliteitsKader/Limburgs KwaliteitsMenu is sprake van tegenprestatie in geval van aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. In basis gebeurt dit vrijwel altijd door een landschappelijke inpassing ter plaatse. Voor alle sporen, met uitzondering van de daken, is dit een vereiste. Voor de sporen 4 (oude ontginningen) en 5 (jonge ontginningen) is sprake van een te verwachten grote schaal en daarmee grotere inbreuk, dat we van mening zijn hiervoor een aanvullende tegenprestatie te vragen. Voor bouwvlakgerelateerde projecten is sprake van een tegenprestatie in de vorm van sloop of in de vorm van een financiële afdracht. In de normering daarvan wordt aangesloten bij vergelijkbare ontwikkelingen in het buitengebied. Met de middelen van de tegenprestatie worden kwaliteits-verbeterende maatregelen uitgevoerd zodat per saldo sprake is van een kwaliteitsverbetering. Na vaststelling van KODE Beesel nemen we dit op als aanvulling op de Structuurvisie of ander toekomstig ruimtelijk beleid.
Initiatiefnemer stort de tegenprestatie in het gemeentelijk kwaliteitsfonds. Dit fonds geeft de gemeente de mogelijkheid compenserende maatregelen uit te voeren.
Bepaling kwaliteitsbijdrage
Welke financiële bijdrage een zonnepark in een oude of jonge ontginning gebiedstype moet leveren is in onderstaande tabel nader uitgewerkt. Uitgangspunt hierbij is dat een goede landschappelijke inpassing altijd een voorwaarde is bij een ontwikkeling in het buitengebied.
In geval de initiatiefnemer een groter aandeel financiële participatie weet te organiseren, is de financiële tegenprestatie voor het gemeentelijk kwaliteitsfonds lager.
Borging kwaliteitsverbeterende maatregelen
De kwaliteitsverbeterende maatregelen en de financiële bijdrage wordt altijd via een anterieure privaatrechtelijke overeenkomst vastgelegd. De gemeente gaat vervolgens monitoren of de gemaakte afspraken na worden gekomen. Deze monitoring stopt niet na oplevering van het werk, maar de compensaties worden duurzaam ingericht en in stand gehouden.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.4
Eigenaarschap: eerlijker verdelen van lasten en lusten
Onderdeel van Toetsings-KODE Beesel - Toetsings-Kader voor Opwekking Duurzame Energie