In de derde stap wordt bekeken of de aanvrager de beschikking heeft over alternatieve mogelijkheden voor de lozing van het brijn.
Voorbeelden van alternatieve lozingsmogelijkheden zijn de riolering en het oppervlaktewater. Uit studies en gesprekken blijkt dat dit eigenlijk geen reële alternatieven zijn. De concentratie aan stoffen in het brijn heeft een negatief effect op het rioleringsstelsel en de werking van de zuivering (bij gebrek aan organische stof moeten ijzerzouten worden toegevoegd om de defosfatering goed te houden). Ook is de capaciteit van de riolering vaak onvoldoende. Het lozen op oppervlaktewater is eveneens onwenselijk vanwege het effect van ijzer en chloride op het oppervlaktewater.
Wel is belangrijk dat er een brede, integrale en regionale afweging voor de alternatieven plaatsvindt. De aanvrager dient aan te tonen dat hij op individueel of collectieve niveau actief onderzoek doet naar alternatieven.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.3
Artikel 3.3.3
Stap 3: alternatieve mogelijkheden voor lozing van brijn?
Onderdeel van Beleid, maatwerkvoorschriften en handhaving bij brijnlozingen