De gemeente is op grond van de Wro (afdeling 6.4, ook wel bekend als ‘Grondexploitatiewet’) verplicht om kosten te verhalen op initiatiefnemers. Daarbij kan de gemeente gebruik maken van een exploitatieplan gevolgd door een posterieure overeenkomst (publiekrechtelijk spoor) of een anterieure overeenkomst (privaatrechtelijk spoor).
Het publiekrechtelijk spoor houdt in dat de gemeenteraad verplicht is door middel van een exploitatieplan kosten publiekrechtelijk te verhalen op een initiatiefnemer door daarbij een exploitatiebijdrage in rekening te brengen voor een ruimtelijke procedure.
De verplichting voor het vaststellen van een exploitatieplan via het publiekrechtelijk spoor komt te vervallen als het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Dit kan het geval zijn als afspraken met initiatiefnemers over kostenverhaal via het privaatrechtelijk spoor zijn vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Met het sluiten van een anterieure overeenkomst vervalt de verplichting voor het publiekrechtelijk vaststellen van een exploitatieplan.
De gemeente en initiatiefnemers hebben in beginsel contractvrijheid bij het aangaan van een anterieure overeenkomst. Daarbij zijn het Burgerlijk Wetboek, met de daarin neergelegde beginselen van verbintenissenrecht zoals de redelijkheid en billijkheid, en de Algemene Wet Bestuursrecht met de voor de gemeente geldende algemene beginselen van behoorlijk bestuur, wel het wettelijk kader. De gemeente weegt bij het aangaan van een overeenkomst, gelet op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zorgvuldig de betrokken belangen af.