Uitgangspunt in deze nota is dat de gemeente voorkeur geeft aan het privaatrechtelijk verhalen van kosten via anterieure overeenkomsten. Dit uitgangspunt is ook als zodanig opgenomen in de eerder genoemde Structuurvisie 2030 en in de nota Grondbeleid 2017.

Om deze reden is deze nota alleen van toepassing op door de gemeente privaatrechtelijk te sluiten anterieure overeenkomsten voor kostenverhaal van ruimtelijke procedures.

In het geval er met initiatiefnemers niet privaatrechtelijk een anterieure overeenkomst kan worden overeengekomen, en de ruimtelijke ontwikkeling vanuit gemeentelijk oogpunt wel gewenst is, zal kostenverhaal alsnog via de publiekrechtelijke weg door middel van een exploitatieplan worden verzekerd. In dat geval gelden de wettelijke bepalingen ten aanzien van exploitatieplannen op grond van de Wro, deze worden verder in deze nota niet uitgewerkt.

In de legesverordening zijn de producten opgenomen waarvoor leges verschuldigd zijn. De leges die verschuldigd zijn voor een principe-verzoek blijven bestaan naast het kostenverhaal op basis van een anterieure overeenkomst. Ook de leges die door de aanvrager betaald dienen te worden voor het in behandeling nemen van een aanvraag van een omgevingsvergunning dienen te worden betaald

Om te voorkomen dat bepaalde kosten echter dubbel in rekening worden gebracht, is in de legesverordening een vrijstelling opgenomen voor diensten waarvan de kosten op grond van afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening in het kader van kostenverhaal worden verhaald.

Nadat inhoudelijk overeenstemming is bereikt met de initiatiefnemer over het te realiseren bouwprogramma, fasering, planning, etc. worden in een anterieure overeenkomst de definitieve afspraken met de initiatiefnemer omtrent het kostenverhaal vastgelegd. De gemeente loopt daarbij wel een risico dat een initiatief wordt teruggetrokken, terwijl er wel ambtelijke uren zijn besteed zonder duidelijkheid over de vergoeding van deze kosten.