5.1.1Kwaliteitsdoelstelling grondwater
De gebiedsaanpak gaat uit van een milieu hygiënisch verantwoord beheer van het verontreinigde grondwater binnen het gebied. Dit houdt in geen humane of ecologische risico’s. Aan de randen van het beheergebied geldt dat er geen verdere verspreiding buiten het gebied mag plaatsvinden (in ieder geval niet boven interventiewaarde).
Kwaliteitsdoelen zijn ook nodig voor kwetsbare objecten binnen het beheergebied zelf. De na te streven overall kwaliteitsverbetering van het grondwater wordt op gebiedsniveau beoordeeld. Dit geldt in principe ook voor de verspreiding en onderlinge beïnvloeding van verontreinigingen binnen het gebied. Dit wil zeggen dat binnen het beheergebied geen eisen worden gesteld aan de verspreiding voor zover dit niet leidt tot:
- - risico’s voor gebiedsgrensoverschrijding;
- - een aantasting van huidige of voorziene gebruiksfuncties;
- - ongewenste beïnvloeding van eventuele beschermde objecten;
Een goed beeld van de verontreinigingssituatie, van gebruiksfuncties en van beschermde objecten is van groot belang voor het gebiedsbeheerplan en het monitoringsplan. Voor het opstellen van een monitoringsplan moeten doelstellingen voor het gebied worden vastgesteld. De doelstellingen moeten in ieder geval betrekking hebben op de volgende aspecten:
1. de acceptabele concentratie van de verontreiniging bij de gebiedsgrens (bijvoorbeeld onder interventiewaarde);
2. de acceptabele concentratie aan verontreiniging bij eventuele kwetsbare objecten binnen het gebied (geen humane of ecologische risico’s);
3. trendbeoordeling van de omvang van het verontreinigde gebied of volume in het beheergebied.
Voor de eerste twee aspecten geldt dat van tevoren vastgestelde grenswaarden niet overschreden mogen worden. Dit wil zeggen dat als de waarden wel bereikt worden, specifieke actieve maatregelen ingezet worden (het terugvalscenario treedt dan in werking). De uitwerking van de monitoring richt zich op peilbuisbemonsteringen en modellering.
5.1.2Varianten voor beheersing van de verontreinigingen
Om de doelstelling van gebiedsgericht beheer te behalen wordt er een beheersvariant gekozen. Deze beheersvariant wordt afgewogen en beschreven in het gebiedsbeheerplan en moet er voor zorgen dat de grondwaterverontreinigingen de grenzen van het beheergebied niet bereiken, anders treedt het terugvalscenario (in de vorm van actieve maatregelen) in werking. De beheersvariant bestaat in beginsel uit passieve maatregelen: monitoren en gebruik maken van natuurlijke afbraak. Uiteraard moet er in dat geval wel sprake zijn van een natuurlijke afbraakcapaciteit van de bodem. Door middel van het analyseren van monitoringsgegevens moet blijken of de verwachtingen over natuurlijke afbraak kloppen.
5.1.3Gebiedsafbakening
Een essentiële stap in de beginfase van gebiedsgericht grondwaterbeheer is de gebiedsafbakening, zowel horizontaal als verticaal. De grenzen geven aan waar geen verontreiniging mag optreden. De gebiedsgrens hangt af van diverse factoren zoals de gemeentegrenzen, het grondwaterverspreidingspatroon, de grondwaterstromingsrichting en - snelheid, bestaande grondwateronttrekkingen, de grondwaterkwaliteit, locaties met grondwateroverlast, eventuele bedreigde objecten en ander ondergronds ruimtegebruik. De verticale afbakening is voornamelijk van toepassing als er meer ondergronds ruimtegebruik plaatsvindt zoals het gebruik van bodemenergie. Door een verticale grens aan te geven wordt duidelijk tot waar de grondwaterverontreiniging zich maximaal mag verspreiden. Een logische grens kan de overgang tussen watervoerend pakket 3 en de hydrologische basis zijn.
5.1.4Scheiding bron en pluim
Een grondwaterverontreiniging kent een bronzone en een pluimzone. De bronzone bestaat uit puur product. Deze verontreiniging zit in de onverzadigde zone boven de grondwaterstand of vormt een zaklaag op een dieper punt in de bodem. De bronzone moet aangepakt worden om nalevering richting de pluimzone te beperken. Echter, de gebiedsgerichte aanpak is niet gericht op het saneren van de bronzone. Het ziet alleen toe op het beheren van verontreinigingen in het diepere grondwater. De pluimzone kan beschreven worden als het bodemvolume buiten de bronzone waar in het grondwater verontreinigingen aanwezig zijn. Er is geen eenduidige diepte te bepalen voor de scheiding tussen de bron- en pluimzone. Dit wordt per geval beschreven. In de Wbb wordt gesproken over een gebiedsgerichte aanpak van het diepere grondwater. Het begrip diepere grondwater kan ruim opgevat worden, de gebiedsbeheerder geeft hier zelf invulling aan.
5.1.5Aanpak bronzone
Door middel van gebiedsgericht grondwaterbeheer krijgen probleemhouders van grondwaterverontreinigingen de mogelijkheid om de verantwoordelijkheid voor hun diepe grondwaterverontreiniging (pluimzone) over te dragen. Later in dit hoofdstuk zal dit bij de organisatorische aspecten verder beschreven worden. Uitgangspunt bij de gebiedsgerichte aanpak is de scheiding tussen de bronzone en de pluimzone. De pluimzone valt binnen de gebiedsaanpak. De bronzone blijft de verantwoordelijkheid van de probleemhouder, tenzij de probleemhouder met de gebiedsbeheerder afspreekt ook de bronzone over te nemen. De aanpak van de bronzone gaat veelal gepaard met de volgende situaties: er is sprake van milieu hygiënisch onaanvaardbare risico’s, het stimuleert gewenste ruimtelijke ontwikkelingen of er zijn verplichtingen als gevolg van deelname aan het gebiedsbeheerplan.
5.1.6Monitoring
De grens van het gebied wordt gemonitord en dat moet leiden tot inzicht over de verspreiding van de verontreiniging. Bij gebiedsgericht beheer gaat het niet om het precies in beeld brengen van individuele pluimen en het toetsen van concentraties. Wel gaat het om het in beeld brengen van onaanvaardbare risico’s. De gebiedsgerichte aanpak mag namelijk niet leiden tot humane of ecologische risico’s. Als zich onverhoopt problemen voordoen dan moeten deze direct worden weggenomen. Door middel van monitoring kan het gedrag van de grondwaterverontreinigingen worden gevolgd. Zo kan vastgesteld worden of de doelstelling gehaald wordt en of er nog aanvullende beheersmaatregelen in gang gezet moeten worden. Daarnaast is monitoring bij gebiedsgerichte beheersing van grondwaterverontreinigingen een verplichting die voortvloeit uit de Grondwaterrichtlijn.
5.1.7Inrichten van het monitoringsnetwerk
Voor de uitvoering van gebiedsgericht grondwaterbeheer wordt een monitoringsnetwerk met peilbuizen ingericht. Voor het inrichten van een monitoringsnetwerk zijn de volgende aspecten van belang:
- - monitoringslocaties;
- - monitoringsdichtheid;
- - lengte van filters;
- - monitoringsfrequentie.
In het gebiedsbeheerplan worden deze aspecten uitgewerkt.
5.1.8Externe invloeden
Naast monitoring is het van belang om inzicht te hebben in externe invloeden die mogelijk effect hebben op het gedrag van de grondwaterverontreinigingen in het beheergebied. Denk aan (tijdelijke) wijzigingen in het grondwater bijvoorbeeld door bronbemalingen of door installatie van open bodemenergiesystemen. Indien de wijzigingen voor een langere periode van invloed zijn op de grondwaterverontreinigingen moet het monitoringsnetwerk zo nodig aangepast worden.
5.1.9 Terugvalscenario
Als de grondwaterverontreinigingen onbedoeld de gebiedsgrens dreigen te overschrijden treedt het terugvalscenario in werking. De terugvalmaatregelen hebben tot doel om onacceptabele verspreiding van grondwaterverontreinigingen weg te nemen. De te nemen maatregelen zijn afhankelijk van de locatie en de mate waarin de bedreiging plaatsvindt. Bij de maatregelen valt te denken aan hydrologische beheersing via het oppervlaktewater of de inzet van in-situ technieken.
5.1.10Beschermde objecten
Mogelijk moet er bij de gebiedsgerichte aanpak rekening worden gehouden met beschermde objecten in de zin van artikel 12.10 van de Wet milieubeheer (Wm). Daarnaast kunnen bij provinciale (milieu)verordening of in het gebiedsbeheerplan andere gebieden of objecten worden aangewezen, ter bescherming van bestaande en toekomstige bijzondere functies zoals drinkwaterwinning of de ecologische hoofdstructuur. De beschermde objecten kunnen de grenzen van het beheersgebied bepalen maar zouden ook in het gebied kunnen liggen. In het laatste geval moeten wellicht na een risicobeoordeling extra monitoringsmaatregelen genomen worden en eventueel maatregelen om ontoelaatbare hinder van verontreinigingen te voorkomen.
5.1.11Biologische afbraakcapaciteit bodem
Biologische afbraak komt tot stand doordat micro-organismen in staat zijn de bodem verontreinigende stoffen af te breken. Dit lukt meestal niet bij zware metalen maar wel bij organische verbindingen zoals VOCl. Het micro-organisme gebruikt de verontreiniging om te kunnen groeien. De verontreiniging wordt als het ware verteerd. Omdat in geval van natuurlijke afbraak de bodem zelf de aanwezige verontreinigingen opruimt, wordt natuurlijke afbraak vaak gezien als aantrekkelijk alternatief dat relatief goedkoop is en weinig overlast veroorzaakt.
Natuurlijke afbraak treedt echter alleen op als de verontreiniging biologisch afbreekbaar is, de condities voor afbraak in de bodem goed zijn en de benodigde micro-organismen aanwezig zijn en blijven. Om de haalbaarheid van biologische afbraak als saneringsvariant goed te kunnen beoordelen is het daarom noodzakelijk om inzicht te hebben in de achterliggende biologische processen en methoden om het optreden van de afbraak te kunnen bepalen en middels metingen te kunnen verifiëren. In het gebiedsbeheerplan wordt de mate van biologische afbraakcapaciteit van het betreffende gebied nader onderzocht.
5.1.12Toekomstige ontwikkeling verontreinigingssituatie
Inzicht in de mogelijke risico’s die op de lange termijn kunnen optreden is belangrijk. Dit kan verkregen worden door het visualiseren van de verwachte toekomstige verontreinigingssituatie. Op die manier kan een schatting gemaakt worden van de verspreiding van verontreinigingen over 10, 20 en 30 jaar. Eventuele uitstroom van verontreinigd grondwater naar buiten het gebied kan vroegtijdig worden tegengegaan. De toekomstige verontreinigingssituatie kan berekend worden met behulp van de huidige verontreinigingssituatie, de grondwaterstromingssnelheid en -richting en de biologische afbraakcapaciteit. In het gebiedsbeheerplan wordt een beschrijving opgenomen van de toekomstige ontwikkeling van de verontreinigingssituatie. De beheersvariant en het terugvalscenario wordt hier op afgestemd.