Welstandstoezicht werd ooit ingesteld om te voorkomen dat bouwwerken de openbare ruimte zouden ontsieren. Nog steeds wordt bij iedere aanvraag om omgevingsvergunning beoordeeld of het betreffende bouwwerk niet in strijd is met ‘redelijke eisen van welstand’.
De welstandsbeoordeling is volgens artikel 12 van de Woningwet gericht op het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk. Het bouwwerk moet zowel op zichzelf als ook in zijn omgeving worden beoordeeld, waarbij ook verwachte veranderingen van die omgeving een rol kunnen spelen. Artikel 12 maakt duidelijk dat de welstandsbeoordeling een complex gebeuren is, waarbij deskundigheid en kennis van de omgeving vereist is. Door de oneindige hoeveelheid combinaties van bouwwerk en omgeving valt de welstandsbeoordeling moeilijk te standaardiseren of te objectiveren.
De afgelopen jaren is er op landelijk niveau kritiek geuit op het welstandstoezicht. Die kritiek betreft niet zozeer het instituut op zich, als wel de werkwijze van de welstandscommissies en de wijze, waarop de welstand in de praktijk wordt uitgeoefend. Dit heeft mede te maken met de vraag tot hoever de betrokkenheid van de overheid zich moet uitstrekken; een vraag die door de maatschappij telkens anders wordt beantwoord.
In de huidige samenleving, waarin individuen en organisaties ruimte vragen voor eigen verantwoordelijkheden, zal het welstandstoezicht zo moeten worden ingericht dat het transparant, toetsbaar en openbaar is; dat het beleid op democratische wijze tot stand is gekomen en de burger niet meer beperkingen en (administratieve en financiële) lasten oplegt dan voor het doel van het welstandstoezicht strikt noodzakelijk is.