Archeologie maakt de geschiedenis van een gemeente of regio zichtbaar. Een gemeenschap kan hieraan identiteit ontlenen. De mate waarin een gemeente belang hecht aan deze lokale identiteit bepaalt op welk niveau invulling wordt gegeven aan het archeologiebeleid.
Natuurlijk hangen beleidsambities ook samen met datgene wat het gemeentelijk bodemarchief te bieden heeft.
2.1.1 Het Landschap van de Hoeksche Waard
Tijdens de laatste IJstijd, het Weichselien (ongeveer 150.000 – 11.000 jaar geleden), werd door de wind een dik pakket zand afgezet. Ten zuiden van waar nu de Binnenbedijkte Maas stroomt, ligt dit dekzand op een diepte van 5 meter, en soms zelfs 15 meter beneden het maaiveld. In de noordelijke helft van de Hoeksche Waard stroomden in deze tijd de Rijn en de Maas. Hier liggen dus rivierafzettingen (grof zand en grind) in de ondergrond.
Vanaf ongeveer 10.000 jaar geleden brak een relatief warme periode aan. Door de temperatuurstijging smolt het landijs uit het Weichselien, zodat de zeespiegel sterk steeg.
Door stijging van zee- en grondwater werd het gebied drassig en ontstonden er moerassen.
In deze periode is ook veen ontstaan (Basisveen); veelal een laag van een halve meter dik.
De Rijn en Maas stroomden nog steeds door het gebied. Net als nu was er toen ook een stelsel van verschillende geulen die zich vertakten en weer samenkwamen. In het noordoosten van de Hoeksche Waard zijn nog resten van deze geulen.
Aan het begin van de IJzertijd (rond 800 v.Chr.) raakte het gebied minder vaak overstroomd door de zee en de grote rivieren. De begroeiing kon zich ongestoord ontwikkelen tot een uitgestrekt moerasgebied en er ontstond een dik veenpakket (Hollandveen). Later kreeg de zee weer meer invloed op het gebied. Vanuit de monding van de Maas drong de zee binnen, met name tijdens stormvloeden. Hierbij werd zand en klei afgezet; vermoedelijk ook al in de IJzertijd rond 500 v.Chr., en zeker in de Late Middeleeuwen.
Een belangrijke historische gebeurtenis vond plaats in 1421: de St. Elizabethsvloed. Als reactie op de overstromingen werden terpen opgeworpen en ontstond vanaf de tweede helft van de veertiende eeuw de eerste ringpolder van de Hoeksche Waard, de Sint Antonypolder.
In het begin van de 16e eeuw vormden ingepolderde stukken land een stelsel van kleine eilandjes in een gebied bestaande uit slikken en schorren. In de loop van de 16e eeuw werd vanuit de oostelijke polders richting het westen een aantal aangrenzende gebieden ingepolderd en vanaf het eind van de 16e eeuw werd de inpoldering richting het zuiden en oosten uitgevoerd.
Voordat de gehele huidige Hoeksche Waard was ingepolderd, vonden er regelmatig overstromingen plaats. Hierdoor is het maaiveld in de oudste polders het laagst, terwijl in de jongere polders, waar in de loop der tijd meer overstromingen plaatsvonden, het sediment steeds hoger werd.
2.1.2 De bewoningsgeschiedenis
Tijdens het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum (tot circa 4900 v.Chr.) bevond de noordelijke helft van het eiland zich in de riviervlakte van de Rijn en de Maas. In de zuidelijke helft was er geen open water, en waren de omstandigheden voor bewoning gunstig. Op het dekzand en het Basisveen kunnen archeologische resten uit die periode aanwezig zijn.
Gezien de grote diepte waarop het zand en het veen liggen (ongeveer 10 meter onder het maaiveld) is hierover nog weinig bekend.
De oudst bekende vindplaats in de Hoeksche Waard dateert uit het Neolithicum; op stroomruggen is aardewerk aangetroffen. De meeste prehistorische vindplaatsen, voor zover bekend, liggen langs de huidige Binnenbedijkte Maas. Ook in de rest van de Hoeksche Waard zijn hiervan resten gevonden. Er zijn resten uit de Bronstijd, maar vooral resten uit de IJzertijd. Enkele vindplaatsen uit de IJzertijd liggen in het veen. De diepteligging van dit veenpakket varieert sterk; het kan zelfs plaatselijk minder dan een meter beneden maaiveld zijn.
Langs de oevers van de fossiele Maas zijn relatief veel resten uit de Romeinse tijd gevonden. Deze vindplaatsen zijn bijzonder, omdat er vrij veel luxe Romeins aardewerk (import) wordt gevonden.
Uit de Vroege Middeleeuwen zijn niet zoveel vindplaatsen bekend. Slechts een handvol vindplaatsen geeft duidelijke aanwijzingen voor bewoning, geconcentreerd langs de oevers van de Binnenmaas. Buiten dit gebied is de enige aanwijzing voor bewoning in deze periode gevonden in het dorpscentrum van Klaaswaal.
De Late Middeleeuwen zijn met relatief veel bewoningssporen vertegenwoordigd; vooral in de huidige dorpskernen en in mindere mate langs de oevers van de Binnenbedijkte Maas.
Dit waren van oudsher gunstige vestigingsplaatsen, gezien de relatief stabiele ondergrond.
Daarom liggen de oudste polders van de Hoeksche Waard langs de Binnenbedijkte Maas.
Ook zijn er woonheuvels of verhoogde woonplaatsen of hillen (zoals Piershil) uit de Late Middeleeuwen aangetroffen. In de 15e eeuw werd ook een aantal ringpolders aangelegd op stukken land die relatief vaak droog vielen.
Tijdens de Nieuwe Tijd concentreerde de bewoning zich voornamelijk op de dorpskernen zoals die tegenwoordig ook nog bestaan. Buiten deze kernen woonde men voornamelijk langs de dijken, in lintbebouwing, of op al dan niet verhoogde huisplaatsen.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.1
Karakteristiek van het bodemarchief
Onderdeel van Beleidsnota Archeologie Hoeksche Waard