2.3.1. Proces
In de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie worden vier processtappen onderscheiden voor archeologisch onderzoek.
1. Bureauonderzoek
Het bureauonderzoek dient om de bekende archeologische waarden te inventariseren en te vertalen naar een verwachtingsmodel. Voor een dergelijk onderzoek is geen Programma van Eisen (PvE) of Plan van Aanpak (PvA) nodig.
2. Inventariserend veldonderzoek (niet-gravend)
Bij het niet-gravend inventariserend veldonderzoek wordt door middel van prospectie veldgegevens verzameld. Voor een dergelijk onderzoek is een door een seniorarcheoloog goedgekeurd PvA noodzakelijk. Doel is om na te gaan in hoeverre het bodemprofiel intact is en om de begrenzing van het terrein te achterhalen.
3. Inventariserend veldonderzoek (gravend)
Bij het gravend inventariserend veldonderzoek wordt door middel van het graven van proefsleuven veldgegevens verzameld. Doel van het onderzoek is het waarderen van de vindplaats ten einde een advies te geven over de te nemen vervolgstappen (vrijgave, vervolgonderzoek of een combinatie van beide) (stap 4). Voor een dergelijk onderzoek is een door een senior archeoloog goedgekeurd PvE noodzakelijk.
4. Selectie: Behoud in situ, opgraven of archeologisch begeleiden
Als besloten wordt de sporen in situ te behouden wordt de vindplaats niet verstoord.
Archeologie wordt in dit geval door fysieke en/of planologische maatregelen beschermd en op die manier ingepast in de ruimtelijke ontwikkeling. Bij een opgraving worden alle vondsten en sporen gedocumenteerd en ex situ behouden. Als besloten wordt de grondverstorende ingreep archeologisch te begeleiden, betekent dit dat de werkzaamheden worden verricht in aanwezigheid van een archeoloog, die eventuele archeologische vondsten documenteert.
Voor deze processtap is een goedgekeurd PvE verplicht. Elk onderzoek levert informatie op over de archeologische sporen. Naarmate de AMZ cyclus wordt doorlopen, neemt het detailniveau en ook het kostenniveau van het onderzoek toe.
2.3.2. Kwaliteitseisen
Met de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg is een ieder die beroepshalve archeologische werkzaamheden verricht gehouden aan de kwaliteitseisen zoals die zijn vastgelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Deze hebben betrekking op de vorm, inhoud, informatieplicht, verslaglegging en deskundigheid van de uitvoerders. Volgens de KNA moeten archeologen een ethische beroepscode hebben ondertekend, bijvoorbeeld via de Nederlandse Vereniging van Archeologen of de European Association of Archaeologists. Uitvoerende instanties en bedrijven dienen over een opgravingsvergunning te beschikken die wordt verleend door de RCE. De Erfgoedinspectie ziet toe op de naleving en uitvoering van de KNA.
Vergunninghoudende gemeenten hebben een eigen archeologische dienst met opgravingsbevoegdheid en hebben daarmee de juiste kennis en middelen in huis om deze verschillende processtappen te kunnen uitvoeren volgens de richtlijnen van de KNA. Niet-vergunninghoudende gemeenten moeten deze kennis en middelen extern inhuren.
De gemeenten van de Hoeksche Waard hebben geen gemeentelijke archeologische dienst en zullen, wanneer de gemeente verstoorder en dus initiatiefnemer is, archeologisch onderzoek door een externe partij laten uitvoeren. Wanneer de gemeente niet de initiatiefnemer is, wordt de uitvoering aan de verstorende partij overgelaten, die het archeologische onderzoek doorgaans ook zal uitbesteden. De gemeente blijft het bevoegd gezag en zal erop toezien dat de voorschriften worden nageleefd.
3.3. Toezicht en Handhaving 2.
De gemeente is wettelijk verantwoordelijk voor het archeologisch bodemarchief van het gemeentelijk grondgebied. Daarmee is de gemeente ook verantwoordelijk voor toezicht op de naleving van wet- en regelgeving in het kader van archeologie. Ten behoeve van de handhaving worden de medewerkers van de afdeling die zich bezighoudt met toezicht en handhaving op de hoogte gebracht van het gemeentelijk archeologiebeleid. In het Programma van Eisen zijn de richtlijnen opgenomen voor het onderzoek, waarop zij moeten toezien. Ook moeten de betrokken medewerkers bekend zijn met de Wet op de archeologische monumentenzorg en de provinciale richtlijnen ten aanzien van de omgang met cultureel erfgoed.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.3
Archeologisch onderzoek
Onderdeel van Beleidsnota Archeologie Hoeksche Waard