Naar hoofdinhoud
Bij de berekening van het inkomen worden dezelfde regels gehanteerd als voor de algemene bijstand. Dit betekent onder meer dat bij de vaststelling van het netto inkomen ook rekening wordt gehouden met het recht op vakantietoeslag over dat inkomen. De middelen genoemd in artikel 31, tweede lid, van de Participatiewet worden ook bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand vrijgelaten, tenzij bijzondere bijstand wordt aangevraagd voor kosten waarvoor de vergoedingen, tegemoetkomingen of verstrekkingen in dit artikellid zijn bedoeld. Dan worden deze vergoedingen in mindering gebracht op de te maken kosten. De individuele inkomenstoeslag en individuele studietoeslag worden niet tot het inkomen gerekend. In beginsel wordt uitgegaan van het inkomen over de maand van aanvraag. Bij een wisselend inkomen wordt het gemiddelde genomen van het inkomen over de maand van aanvraag en de daaraan voorafgaande vijf maanden. Bij de berekening van het aanwezige vermogen in het kader van een aanvraag om bijzondere bijstand zijn de vrijlatingen genoemd in artikel 34, tweede lid, onder b, c, e en f van de Participatiewet niet van toepassing. De waarde van 1 auto of motor wordt tot een bedrag van € 5.000 niet meegerekend. Het vermogen gebonden in de eigen woning wordt buiten beschouwing gelaten indien de bijzondere bijstand op jaarbasis een bedrag van de voor belanghebbende geldende maandnorm voor algemene bijstand niet te boven gaat. Dit geldt niet wanneer woonkostentoeslag wordt aangevraagd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel