Voor de bestuursrechtelijke handhaving van de verboden in de zin van artikel 2 (verbod op aanwezigheid van harddrugs, Lijst I), artikel 3 (verbod op aanwezigheid van softdrugs, Lijst II), artikel 10a (verbod op voorbereidingshandelingen harddrugs) en artikel 11a (verbod op voorbereidingshandelingen softdrugs) van de Opiumwet, is in die wet artikel 13b opgenomen.
Bij een hoeveelheid van > 5 gram softdrugs en > 0,5 gram harddrugs wordt aangenomen dat het om een handelshoeveelheid gaat.
Van een voorbereidingshandeling met betrekking tot softdrugs is op grond van dit beleid sprake als voldaan wordt aan paragraaf 3.2.1. (‘Teelt van hennep (of de cannabis plant’) in samenhang met Bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet. Van een voorbereidingshandeling met betrekking tot harddrugs is sprake als dat uit de aard, hoeveelheid en samenstelling van voorwerpen en stoffen en/of uit andere informatie, waaronder waarnemingen, meldingen, (tap)gesprekken of observaties. Uit de rechtspraak volgt dat het om als voorbereidingshandeling te kwalificeren niet nodig is dat alle aangetroffen stoffen en voorwerpen tegelijk geschikt zijn om een drugsproductiepunt op te zetten (o.a. ABRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:617). Voldoende is dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de betrokkene wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de voorhanden voorwerpen voor dat doel bestemd waren. Ook als slechts een deel van de voorwerpen voorhanden is die nodig zijn voor de productie van drugs, kan de burgemeester bevoegd zijn handhavend op te treden.
Artikel 13b luidt:
- - De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
- - Een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
- - een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is
- - Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen.
Als gezegd is ook de ‘Aanwijzing Opiumwet’ van kracht (in werking getreden per 1 maart 2015; Staatscourant 2015, 5391), waar bij het opstellen van het beleid aansluiting is gezocht en waarbij bij de uitleg en toepassing van dit beleid aansluiting wordt gezocht.