Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 2.1

Artikel 2.1.3

Vroege en Late Middeleeuwen (450 - 1500 n. Chr.)

Onderdeel van Beleidsnota archeologie 2011

De oudst bekende schriftelijke bron die betrekking heeft op het grondgebied van Soest dateert uit de 8ste eeuw. In het jaar 777 schonk Karel de Grote een groot koninklijk domein, waarvan de 'villa Lisiduna' (het huidige Oud-Leusden, langs de Rijksweg A28) het centrum vormde, aan de bisschoppelijke Sint Maartenskerk in Utrecht. De villa omvatte 'gronden, hoeven, huizen, gebouwen, horigen, bossen en velden, weiden en hooiland, water en beken', onder meer langs de rivier de Eem. Tegelijk met de villa Leusden werden ook vier foreesten aan de Sint Maartenskerk geschonken: Hengistscoto, Fornhese, Mocoroht en Widoc of Wido. Dit waren grondgebieden buiten het gebied van de villa die op andere wijze werden geëxploiteerd. Meest aannemelijk is dat het grondgebied van de huidige gemeente Soest deel uitmaakte van het foreest Fornhese. In de Vroege Middeleeuwen was het akkerareaal nog vrij beperkt, maar dit groeide aanzienlijk naar mate de bevolking toenam. Hierop werd meer graasgebied gecreëerd, waarbij bossen werden gekapt en heidevelden werden aangelegd. Waarschijnlijk begon men in de Late Middeleeuwen (1000-1500 na Chr.) met systematische plaggenbemesting. Hierdoor ontstonden plaggenbodems, die vruchtbaarder waren en het vocht beter vasthielden dan de zandgronden. De Eng is hier een goed voorbeeld van. De ontginning van de hoger gelegen gebieden op de Utrechtse Heuvelrug was al vóór 800 n. Chr. begonnen. Door de uitputting van de grond op de stuwwal en de groei van de bevolking trok men in de 10de eeuw ook naar lager gelegen gebied. Zo is in 950-975 ook het land tussen de Grote en Kleine Melm aangepakt. Dit lijkt deel te zijn geweest van een grotere onderneming aan beide zijden van de Eem. Aan de oostzijde van de Eem (Amersfoort) liggen op heuveltjes oude boerderijen die hun oorsprong mogelijk al in deze tijd hebben. Het lager gelegen veenlandschap veranderde ook met de komst van de eerste ontginners. In de Late Middeleeuwen heeft men de natte veen- en broekgebieden rond Soest verdeeld onder de gerechtigden, en ontgonnen. Enerzijds, omdat er meer landbouwgrond nodig was, anderzijds voor de turfwinning. Hiervoor was het eerst nodig om deze natte gebieden te ontwateren, waartoe een stelsel werd aangelegd dat op de Eem afwaterde. Binnen de ontginningseenheden werden, in de afwateringsrichting, parallelle sloten gegraven. Hierdoor ontstond in deze gebieden de nog altijd herkenbare strokenverkaveling met smalle langgerekte percelen. De eerste zandverstuivingen - door uitputting van landbouwgrond - kwamen mogelijk al in de Late Steentijd voor. Het waren echter vooral de middeleeuwse ontwikkelingen die hun stempel op het landschap drukten. Door een sterke toename van de bevolking en de hiermee gepaard gaande ontginningen, intensieve ontbossing (ten behoeve van de ijzerindustrie), overbeweiding en plaggen steken, raakten veel gronden uitgeput en verdween de vegetatie. Voorbeelden hiervan zijn de Lange en Korte Duinen in Soest, maar ook de Leusderheide in Leusden. De aanwezigheid van stuifzandcomplexen in Soest wijst erop dat de akkers en heidevelden soms te intensief werden gebruikt. Kennelijk hadden ze na begrazing, afbranden of plaggensteken niet voldoende de tijd gekregen om te herstellen. Hierdoor raakten de relatief arme zandgronden snel uitgeput en verdween de vegetatie, met zandverstuivingen als gevolg.

Rechtspraak bij dit artikel