Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 8.6

Artikel 8.6.4

Excessieve kostenregeling

Onderdeel van Beleidsnota archeologie 2011

Het principe dat de veroorzaker betaalt, gaat niet in alle gevallen op. Dit geldt met name als er sprake is van ‘kosten die niet in redelijkheid volledig ten laste dienen te komen van de verstoorder, als de bevoegde instantie tot het doen van opgravingen heeft verplicht’. Bij schade die voor vergoeding in aanmerking komt heeft de wetgever vooral gedacht aan excessieve kosten als gevolg van opgravingen. Of dergelijke kosten als excessief moeten worden gekwalificeerd, is sterk afhankelijk van het financiële belang van de aanvrager, diens draagkracht, de mogelijkheden om naar een andere locatie om te zien etc. Bij de regeling voor excessieve kosten is er sprake van een 3 trapsraket: Voorop staat dat de verstoorder betaalt (verplichting op grond van Monumentenwet 1988); Voor zover de verstoorder schade lijdt als gevolg van de weigering van een vergunning of vanwege de voorschriften die aan de vergunning, ontheffing of projectbesluit zijn gekoppeld en die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijner laste behoort te blijven, vergoeden Burgemeester en Wethouders die schade (MW, ex art. 42); Voor zover de kosten worden veroorzaakt door de verplichting om opgravingen te doen en deze kosten uitkomen boven de drempelbedragen, kunnen gemeenten bij de minister van OCW een verzoek indienen om een specifieke uitkering te verstrekken voor excessieve kosten (MW, art. 34a). Excessieve kostenregeling Nadat het bevoegd gezag een archeologieplicht heeft opgelegd, keurt zij het PvE. Op basis van dit PvE kunnen opgravingsbevoegde instellingen een offerte opstellen en worden de kosten voor het archeologisch onderzoek geschat. Indien deze kosten voor de verstoorder te hoog zijn, kan deze een schadevergoeding aanvragen bij de gemeente. De gemeente bepaalt dan welk deel redelijkerwijze ten laste van de verstoorder moet komen. Als de verwachte kosten deze redelijkheidsgrens overschrijden, dan draagt de gemeente zelf het drempelbedrag bij. Dit drempelbedrag bedraagt 2,50 euro per inwoner van de betreffende gemeente. De gemeente dient vervolgens een aanvraag in bij het rijk met een beroep op de regeling. Deze aanvraag wordt alleen geweigerd als het rijksbuget hiervoor al op is of als zij vindt dat het onderzoek te weinig (nationaal) belang heeft.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel