De gemeente Veendam biedt volgende vormen van ondersteuning middels een (individuele) maatwerkvoorziening:
1. Begeleiding
2. Dagbesteding
3. Vervoersvoorziening
4. Woonvoorziening
5. Hulpmiddelen
3.1 Algemeen
Een ingezetene van Nederland komt overeenkomstig de bepalingen van de wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit:
‘door het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, te verstrekken ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie’,
We definiëren beperking als volgt:
Beperking, psychisch of psychosociaal probleem als gevolg waarvan de cliënt op één of meerdere vormen van ondersteuning een beroep kan doen.
Er worden de volgende beperkingen te onderscheiden:
1. Een fysieke beperking, bestaande uit:
a) Somatische aandoening
b) Lichamelijke beperking
c) Zintuigelijke beperking
2. (chronische) psychische of psychosociale beperking bestaande uit:
a) Psychogeriatrische aandoening
b) Psychiatrische aandoening
c) Verstandelijke beperking
Ad 1a Somatische aandoening
Een somatische aandoening of beperking vindt veelal zijn oorzaak in een actuele somatische (lichamelijke) ziekte of aandoening. Een lichamelijke aandoening die gekenmerkt wordt door stabiele fases en bij verergering door medische en/of paramedische behandeling (nog) kan genezen of verbeteren, heeft als grondslag somatische aandoening, dus niet de grondslag lichamelijke beperking. Wanneer de lichamelijke aandoening blijvend is, niet veroorzaakt door stoornissen van het zenuwstelsel of het bewegingsapparaat (bot/spierstelsel, gewrichten en bindweefsel), dan is de grondslag somatische aandoening eveneens van toepassing. Dit is ook het geval bij een ongeneeslijke ziekte, waarbij geen zicht meer is op herstel of verbetering en die zeker tot het levenseinde zal leiden.
Ad 1b Lichamelijke beperking
Bij een lichamelijke beperking is sprake van een fysieke aandoening als gevolg van stoornissen van het zenuwstelsel en het bewegingsapparaat (bot/- spierstelsel, gewrichten en bindweefsel), waarbij geen functionele verbetering meer te verwachten is (er kan nog wel sprake zijn van een verslechtering) en er geen sprake is van een terminale situatie.
Ad 1c Zintuiglijke beperking
Er is sprake van een zintuiglijke beperking bij cliënten die een ernstige visuele of auditieve beperking hebben. De volgende doelgroepen zijn hierbij te onderscheiden:
Cliënten met een ernstige visuele beperking
De cliënt die op grond van een visuele beperking valt onder deze doelgroep heeft een visuele beperking die voldoet aan de NOG-richtlijn ‘Visusstoornissen, Revalidatie en Verwijzing’. Volgens deze richtlijn is sprake van een visuele beperking als ernstige stoornissen in het gezichtsvermogen en/of de visuele perceptie zijn vastgesteld in combinatie met beperkingen in het dagelijks functioneren. De cliënt voldoet aan de volgende criteria:
- er is sprake van bijkomende cognitieve, psychosociale en/of psychiatrische problematiek;
- er is sprake van een combinatie van problematiek, zoals cognitieve, psychosociale en/of psychiatrische problematiek. Dit leidt tot beperkte compensatiemogelijkheden en vervolgens tot een volstrekt ‘nieuwe’ en grotere beperking met nog minder mogelijkheden;
- uit aanvullend onderzoek, diagnostiek en/of dossieronderzoek (blijkt dat de cliënt in aanmerking komt voor Specialistische Begeleiding. Voor specialistische begeleiding is een separaat contract gesloten.
Vroegdove cliënten
Doof wil in dit kader zeggen dat de cliënt meer dan 80 decibel (dB) gehoorverlies aan beide oren heeft. Eventuele gehoorresten hebben geen betekenis voor communicatie. Indien een volwassene (iets) minder dan 80 dB gehoorverlies heeft en dat verlies selectief het frequentiebereik van de spraak bestrijkt is er ook sprake van complete functionele doofheid Bij vroegdove cliënten dateert de doofheid van vóór het begin van de gesproken normale taalontwikkeling. De gesproken taalontwikkeling is niet op gang gekomen of te vroeg gestokt. Er is hierdoor sprake van grote achterstanden in taal, algemene kennis en emotionele ontwikkeling. Daarnaast kan er sprake zijn van bijkomende stoornissen en beperkingen van algemene en specifieke, mentale of fysieke aard.
Doofblinde cliënten
Er is sprake van doofblindheid als:
- er sprake is van een combinatie van verlies van de hoorfunctie (> 35 dB verlies aan het beste oor) en
- verlies van visuele functies (gezichtsscherpte < 0.3 en/of een gezichtsveldbeperking van < 30 graden aan het beste oog) met veelal een progressief karakter van beide of één van beide zintuigbeperkingen.
Deze combinatie van beperkingen leidt tot een aanzienlijk verlies van algemene en specifieke mentale of fysieke functies, hetgeen leidt tot belemmeringen in de zelfredzaamheid en participatie.
Ad 2a Psychogeriatrische aandoening
Een psychogeriatrische aandoening wordt gevormd door een ziekte, aandoening of stoornis in of van de hersenen. Veelal is er een aantasting te zien van onder andere denkvermogen, gevoelsleven, intellect, geheugen of al of niet in combinatie met afname van motorische functies en vermindering van sociale zelfredzaamheid. Dementie is een verzamelnaam voor een aantal ziekteverschijnselen die allemaal veroorzaakt worden door niet-aangeboren afwijkingen in de hersenen.
Ad 2c Verstandelijke beperking
Er is sprake van een verstandelijke beperking als wordt voldaan aan de volgende 3 cumulatieve voorwaarden:
- de cliënt scoort cognitief / intellectueel beneden gemiddeld op een algemene intelligentietest (norm: IQ 70 of lager);
- er zijn blijvende beperkingen zijn op het gebied van de sociale redzaamheid of participatie;
- de situatie is voor het 18e levensjaar ontstaan.
Als sprake is van een IQ tussen 70 en 85, maar er is sprake van ernstige en chronische beperkingen in de sociale redzaamheid of participatie, bijvoorbeeld als gevolg van ernstige gedragsproblemen, is er eveneens sprake van een verstandelijke beperking.
3.2 Ondersteuning
De ondersteuning is gericht op door de cliënt ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid en of participatie op o.a.
a) sociaal en persoonlijk functioneren;
b) financiën;
c) dagbesteding;
d) ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid;
e) huisvesting;
f) mantelzorgondersteuning met verblijf.
Dit is geen limitatieve opsomming en de beperkingen kunnen zich voordoen op meerdere terreinen.
3.3 Grondslagen en samenloop Zorgverzekeringswet
Aangezien er bij een somatische of psychogeriatrische aandoening en bij een lichamelijke beperking veelal sprake is van aanvullende behoefte aan (medische) zorg via de Zorgverzekeringswet, in de vorm van verpleging en behandeling, wordt ondersteuning voor zelfzorg en gezondheid voor deze grondslagen niet geïndiceerd. Deze ondersteuning voor zelfzorg en gezondheid wordt geleverd op grond van de Zorgverzekeringswet. Het resultaatgebied “huisvesting” is wettelijk beperkt tot de doelgroep met een psychiatrische aandoening.
In onderstaand schema is aangeven welke resultaatgebieden er per grondslag aan de orde kunnen zijn.
Aard van de beperking
Resultaatgebied
1. Fysieke beperking
Somatische aandoening
Alle resultaatgebieden, behalve huisvesting en zelfzorg en gezondheid
Lichamelijke beperking
Alle resultaatgebieden, behalve huisvesting en zelfzorg en gezondheid
Verstandelijk beperking
Alle resultaatgebieden, behalve huisvesting
Zintuiglijke beperking
Alle resultaatgebieden, behalve huisvesting
2. (chronische) psychische of psychosociale beperking
Psychogeriatrische aandoening
Alle resultaatgebieden, behalve huisvesting en zelfzorg en gezondheid
Psychiatrische aandoening
Alle resultaatgebieden. Zie echter de combinatie met resultaatgebied “huisvesting”
3.4 Doelstelling ondersteuning
Het doel van de ondersteuning is om de cliënt te ondersteunen in zijn zelfredzaamheid en participatie, opdat deze zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven wonen. Dat betekent in dit kader dat de cliënt zo lang mogelijk zelfstandig kan blijven wonen en geen beroep hoeft te doen op intramurale zorg op grond van de Wet langdurige zorg.
Dat kan ook betekenen dat de mantelzorger, die normaliter de ondersteuning verleent, de ondersteuning tijdelijk uit handen wordt genomen.
Bij personen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en waar de cliënt naast onderdak ook samenhangende ondersteuning nodig heeft, gaat het om het bieden van een beschermde woonomgeving.
3.5 Omvang indicatie
Het resultaatgebied of de resultaatgebieden die worden geïndiceerd vormt/vormen samen het maatwerkplan. Het maatwerkplan bepaalt het bedrag dat de gecontracteerde aanbieder ontvangt voor de verdere invulling van de ondersteuning aan de cliënt op basis van het maatwerkplan. De gecontracteerde aanbieder wordt geacht het totale arrangement te kunnen leveren.
3.6 Keuze tussen aanbieders
De cliënt kan bij zijn aanvraag voor een maatwerkvoorziening zijn voorkeur aangeven voor de aanbieder van wie hij de ondersteuning wenst te ontvangen. Indien de cliënt, ook na rappel, geen voorkeur aangeeft of wil geven, zal de medewerker die de aanvraag in behandeling neemt, een aanbieder selecteren die op basis van het onderzoek het best aansluit bij de cliënt en zijn ondersteuningsbehoefte.
Voor cliënten met aandoeningen waarvoor gespecialiseerde ondersteuning is vereist, zoals bijvoorbeeld cliënten met niet-aangeboren hersenletsel of cliënten die vallen onder de openbare geestelijke gezondheidszorg geldt dat deze cliënten wel hun voorkeur mogen aangeven, maar dat de gemeente uiteindelijk bepaalt aan welke aanbieder de opdracht tot levering van de ondersteuning wordt gegeven.
3.7 Ingangsdatum ondersteuning
Uitgangspunt is, dat de ingangsdatum van de ondersteuning ligt op of na de datum waarop op de aanvraag voor ondersteuning is beslist. Hierop is een aantal uitzonderingen mogelijk:
- er is sprake van spoedeisende ondersteuning (artikel 2.3.3 Wmo 2015);
- de ondersteuning wordt geïndiceerd zonder dat er sprake is van een schriftelijke aanvraag;
- er wordt voldaan aan de volgende 3 cumulatieve voorwaarden:
1. het is niet aan de cliënt te verwijten dat het indicatiebesluit niet eerder kon worden genomen;
2. de feiten zijn niet aan twijfel onderhevig en dusdanig duidelijk dat met zekerheid of daaraan grenzende waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat de cliënt ook in het verleden op ondersteuning was aangewezen;
3. de aanvraag betreft een verzoek om voortzetting van een eerder gelijkwaardig indicatiebesluit.
3.8 Uitvoering indicatie
Zodra de medewerker de indicatie voor een maatwerkvoorziening heeft afgerond, stuurt deze een leveringsopdracht naar de gekozen of geselecteerde aanbieder. De zorgaanbieder moet vervolgens binnen 5 dagen contact opnemen met de cliënt om afspraken met hem te maken over de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het maatwerkplan dat is geïndiceerd. Deze afspraken worden vastgelegd in een ondersteuningsplan dat door de zorgaanbieder en de cliënt wordt ondertekend. Er kan sprake zijn van meerdere ondersteuningsplannen. Het ondersteuningsplan en het aanvraagformulier worden geretourneerd aan de gemeente.
Als de zorgaanbieder een door hem georganiseerde dienst inzet om te voldoen aan de leveringsopdracht, mag de zorgaanbieder voor de dienst geen extra bijdrage vragen. Wél mag de zorgaanbieder van de cliënt een vergoeding vragen voor algemeen gebruikelijke kosten die de cliënt ook thuis zou hebben gehad.
3.9 Wijziging in de indicatie
a) Verlaging indicatie op verzoek van de cliënt
Als een cliënt doorgeeft met minder ondersteuning toe te kunnen, dan wordt er een nieuw indicatiebesluit genomen. De ingangsdatum wordt in overleg met de cliënt vastgesteld, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de CAK-periodes.
b) Wijziging indicatie op grond van speciale situatie
Als een cliënt wordt opgenomen in een instelling ten laste van de Wet langdurige zorg, wordt de indicatie 1 dag na opname beëindigd. Als er sprake is van een ziekenhuisopname die naar verwachting langer dan 4 weken duurt, wordt de indicatie tijdelijk stopgezet. Zodra de cliënt de instelling of ziekenhuis heeft verlaten, zal een verkort onderzoek plaatsvinden om vast te stellen of de indicatie ongewijzigd kan voortduren of moet worden aangepast. Als het niet waarschijnlijk is dat de cliënt binnen afzienbare tijd weer terugkeert in de woning, zal de indicatie worden beëindigd. Zodra de cliënt weer thuis is, kan deze zich opnieuw melden voor ondersteuning.
Als sprake is van een opname in een instelling of ziekenhuis, terwijl er sprake is van een achterblijvende partner die eveneens ondersteuning behoeft, zal de indicatie, voor zover deze niet specifiek betrekking heeft op de ondersteuning van de opgenomen cliënt, worden voortgezet totdat er op naam van de partner een nieuwe indicatie is afgegeven.
c) Wijzigingen in de persoonlijke of gezinssituatie
Bij wijzigingen in de persoonlijke of gezinssituatie zal de medewerker beoordelen of dit gevolgen heeft voor de indicatie, bijvoorbeeld omdat er meer of minder gebruikelijke hulp kan worden geleverd. Is dit het geval, dan wordt de indicatie aangepast.
Wijzigt de indicatie ten nadele van de cliënt, dan wordt een redelijke periode aangehouden voor de ingangsdatum van de nieuwe indicatie. Wat een redelijke periode is, hangt onder meer af van de aard van de indicatie die wijzigt, de omvang waarmee deze wijzigt en of deze wijziging voorzienbaar was.
Bij een verhuizing naar een andere gemeente vervalt de indicatie op de dag van de verhuizing. Bij een verhuizing binnen de gemeente blijft de indicatie gehandhaafd, tenzij in verband met wijzigingen in verband met bijvoorbeeld de beschikbaarheid van mantelzorg of algemene voorzieningen een nieuwe indicatie noodzakelijk is.
d) Vakantie
Op het moment dat een persoon langer dan 4 weken op vakantie gaat, wordt de indicatie tijdelijk stopgezet na de dag van vertrek. Bij terugkomst wordt de indicatie weer geactiveerd. Op het moment dat een persoon langer dan 13 weken op vakantie gaat, wordt de indicatie beëindigd. De persoon moet zich dan bij terugkomst opnieuw melden.
e) Wijzigingen bij resultaatgebied huisvesting
De indicatie vervalt niet door tijdelijke afwezigheid uit de opvang of beschermd wonen, bijvoorbeeld in verband met ziekenhuisopname of vakantie. Als de cliënt definitief vertrekt uit de opvang, vervalt de indicatie op de dag dat de cliënt definitief uit de opvang is.
3.10 Begeleiding individueel
Dit zijn op de cliënt afgestemde individuele activiteiten zoals woonbegeleiding en thuisbegeleiding die de zelfredzaamheid van cliënten bevorderen, behouden of compenseren voor zover de cliënt in verband met een beperking, chronische, psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie of is te handhaven in de samenleving.
Begeleiding Individueel heeft de volgende doelstellingen:
1. Het ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen.
2. Het ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van (dag)structuur of het voeren van regie.
3. Het overnemen van toezicht.
4. Het aansturen van gedrag.
3.11 Dagbesteding (Begeleiding groep)
Dit zijn een op cliënt afgestemde groepsactiviteiten op locatie exclusief vervoer zoals dagbesteding en dagopvang die de zelfredzaamheid van de cliënt bevorderen, behouden of compenseren voor zover de cliënt in verband met een beperking, chronische, psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat tot participatie of is te handhaven in de samenleving.
Doelstellingen die horen bij begeleiding groep zijn: creëren en behouden van structuur, sociale vaardigheden behouden en versterken, sociale contacten behouden, gevoel van eigenwaarde en integratie bevorderen. Dagbestedingsactiviteiten zijn gericht op activering en een zinvolle besteding van de dag. Tussen de 18 en 66 jaar is dit vaak met een arbeidsmatige component.
3.12 Vervoersvoorziening
De dagbesteding kan inclusief of exclusief vervoer van en naar de dagbesteding worden geïndiceerd. Voor een indicatie voor vervoer moet sprake zijn van medische beperkingen bij het gebruik van een algemene vervoersvoorziening.
3.13 Huisvesting
Wordt uitgevoerd door de centrumgemeente Groningen op basis van beleid en regels van de gemeente Groningen.
3.14 Woonvoorzieningen
Uitgangspunt is, dat de kosten van een verhuizing algemeen gebruikelijk zijn. Voor de kosten van een verhuizing is dan ook in principe geen maatwerkvoorziening mogelijk. Indien het voor een cliënt ten tijde van het betrekken van een woonruimte gelet op zijn medische situatie op dat moment voorzienbaar was dat hij beperkingen zou gaan ondervinden in die woning, mag er verondersteld worden dat de cliënt dit had kunnen voorzien.
Dit is slechts anders als de verhuizing niet voorzienbaar is en plotseling noodzakelijk is, bijvoorbeeld als gevolg van een hersenbloeding of ongeluk en de inwoner de verhuizing niet zelf kan betalen. In dat geval kan de cliënt in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing.
Als algemeen gebruikelijk gelden ook woonvoorzieningen die in een normale winkel, bouwmarkt of thuiszorgwinkel verkrijgbaar zijn. Het gaat dan om zaken als (geen limitatieve opsomming):
- eenhendelmengkranen ;
- thermostatische kranen;
- keramische-of inductiekookplaat;
- verhoogd toilet of toiletverhoger ;
- tweede toilet/ sanibroyeur ;
- renovatie van badkamer en keuken*
- antislipvloer/coating;
- wandbeugels;
- zonwering (inclusief elektrische bediening);
- ophogen tuin/bestrating bij verzakking;
- luchtbevochtiger;
- een airco;
- wasdroger;
- korfladen;
- elektrische garagedeur opener;
- oplaadpunt ten behoeve van opladen elektrisch vervoermiddel;
- tweede toilet (tenzij eerste toilet niet toegankelijk is vanwege beperkingen).
*Bij de Wmo wordt ervan uit gegaan dat elke badkamer of keuken eens in de zoveel jaar vernieuwd wordt. Bij een aanvraag voor een woningaanpassing van een badkamer of keuken wordt rekening gehouden met de leeftijd van de badkamer of keuken.
Het anders organiseren van het huishouden, waarbij gezinsleden hun verantwoordelijkheid
nemen in het verlenen van gebruikelijke hulp, kan betekenen dat bepaalde woonvoorzieningen
niet noodzakelijk zijn.
3.15 Wanneer een woonvoorziening noodzakelijk kan zijn
Als een cliënt belemmerd wordt in zijn zelfredzaamheid door bouwkundige of woontechnische
kenmerken van de woning, kan een woonvoorziening aan de orde zijn.
De cliënt moet in staat zijn tot het normale gebruik van de woning. Dat wil zeggen dat:
- de woning voor de cliënt toegankelijk is;
- de buitenruimte (tuin of balkon) moet kunnen worden bereikt;
- de cliënt het toilet, de badkamer, keuken, woonkamer, slaapkamer en de slaapkamers van jonge kinderen moet kunnen bereiken en gebruiken. Het gebruik van hobby-, werk of recreatieruimten valt in principe niet tot het normale gebruik van de woning.
3.16 Woningaanpassing
Een woningaanpassing kan bestaan uit:
- bouwkundige ingrepen, zoals het verwijderen van drempels, verbreden van deuren,
- aanpassen van sanitaire ruimtes en keuken, aanbouwen van een gelijkvloerse
- slaapkamer en badkamer, plaatsen van een tijdelijke woonunit;
- losse woonvoorzieningen, zoals tilliften, aankleedtafels, douchehulpmiddelen;
- hulpmiddelen om een hoogteverschil te overbruggen, zoals een traplift of vlonder;
Woonvoorzieningen die kunnen worden hergebruikt, zoals tijdelijke woonunits en trapliften,
worden verstrekt in bruikleen. Ook dure losse woonvoorzieningen en hulpmiddelen worden in
bruikleen verstrekt. Het gaat dan om bijvoorbeeld was- en föhninstallaties, aankleedtafels en
tilliften.
Als de cliënt niet de eigenaar is van de woning waarvoor een woningaanpassing voor noodzakelijk is, dan is voor de woningaanpassing geen toestemming van de eigenaar noodzakelijk. Voordat de woningaanpassing wordt aangebracht, moet de woningeigenaar wel in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord.
De cliënt hoeft de woningaanpassing niet ongedaan te maken als de cliënt niet langer gebruik
maakt van de woning.
Als de cliënt in verband met de aanpassing van de woning tijdelijk elders gehuisvest moet
worden, kan hij gedurende deze periode een persoonsgebonden budget ontvangen voor de dubbele woonlasten voor maximaal zeven maanden.
3.17 Afweging verhuizen of woning aanpassen
In de afweging of een woonvoorziening moet worden aangeboden in de vorm van een
woningaanpassing of een verhuiskostenvergoeding (persoonsgebonden budget), worden in ieder geval de volgende punten onderzocht:
a. in de persoon gelegen factoren: wat is de aard van de belemmeringen en wat kan er
gezegd worden over de ontwikkeling van de belemmeringen in de toekomst? Kan van de
cliënt in redelijkheid verlangd worden om te verhuizen, bijvoorbeeld op grond van de
sociale contacten die hij in zijn woonomgeving heeft, zijn leeftijd, zijn gezondheid? Wil de
cliënt zelf liever in zijn woning blijven of verhuizen naar een andere woning?
b. is er sprake van mantelzorg die in gevaar komt als de cliënt zou verhuizen?
c. kan woningaanpassing een oplossing bieden voor de belemmeringen die de cliënt nu ondervindt. Ook voor de toekomst? Met andere woorden: kan woningaanpassing naar verwachting een duurzame oplossing zijn? Uitgangspunt is hierbij dat de cliënt langdurig met de aanpassingen in de woning kan blijven wonen.
d. is er op korte termijn geschikte, voor de cliënt acceptabele alternatieve woonruimte beschikbaar? En ook tegen een voor de cliënt betaalbare prijs? En waar? Dit laatste moet ook worden gezien in het licht van het kunnen handhaven van de sociale contacten en eventuele mantelzorg. Zijn daar dan ook nog aanpassingen nodig?
e. als er sprake is van een eigen woning: leidt een verhuizing tot een onacceptabel financieel nadeel als gevolg van de verkoop van de huidige woning? Zal de woning naar verwachting binnen een redelijke termijn verkocht kunnen worden?
Als uit het onderzoek blijkt dat een verhuizing geen goede oplossing is voor de cliënt, zal worden overgegaan tot aanpassing van de huidige woning. Als uit het onderzoek blijkt dat aanpassing van de huidige woning geen adequate, duurzame oplossing biedt voor de cliënt, zal de cliënt het advies krijgen te verhuizen naar een meer geschikte woning.
Dit is ook het geval als de kosten van een woningaanpassing niet in verhouding staan tot de kosten van een verhuizing en er ook geen objectieve bezwaren zijn tegen een verhuizing. De kosten van de woningaanpassing worden in dat geval afgezet tegen de verhuiskosten.
Als een verhuizing de goedkoopst adequate oplossing is, maar de cliënt kiest ervoor om toch niet te verhuizen, dan kan hij in aanmerking komen voor de vergoeding ter hoogte van de verhuiskostenvergoeding waarmee hij de eigen woning kan aanpassen.
Uit het door de cliënt in te dienen zorg- en budgetplan moet voldoende blijken dat de door de cliënt aan te brengen voorzieningen een duurzame oplossing bieden voor de problematiek van de cliënt. De cliënt komt niet meer in aanmerking voor een woonvoorziening, afgezien van niet-voorziene wijzigingen in de beperkingen van de cliënt.
3.18 Aanpassingen in een wooncomplex
Woont een cliënt in een wooncomplex, dan kunnen op de persoon gerichte aanpassingen worden aangebracht in de algemene ruimte van dat wooncomplex, om de woning voor de cliënt bereikbaar en toegankelijk te maken.
Als een cliënt woont in een wooncomplex dat specifiek bedoeld is voor ouderen of personen met een lichamelijke beperking, dan mag worden verwacht dat dit wooncomplex voldoet aan de basiseisen van toegankelijkheid voor deze doelgroepen. Dat wil zeggen dat iemand zonder problemen zijn eigen woning moet kunnen bereiken, ook als deze rolstoelgebonden is. Een woonvoorziening voor de algemene ruimte is dan in principe niet aan de orde. De woningeigenaar is hiervoor verantwoordelijk.
3.19 Persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen
Het Pgb voor de kosten van aanpassing van de woning wordt bepaald op basis van de door de
cliënt in te dienen begroting en offertes. Het Pgb wordt echter gemaximeerd op 100% van de
kosten van een vergelijkbare maatwerkvoorziening. Als de cliënt de woningaanpassing in de
vorm van bouwkundige ingrepen binnen het informele circuit realiseert, kan hierop een bedrag
in mindering worden gebracht dat in de kosten van de maatwerkvoorziening is begrepen voor
de aannemer die het werk zou uitvoeren. De kosten van een vergelijkbare maatwerkvoorziening worden bepaald op basis van marktonderzoek.
3.20 Tegemoetkoming voor woonvoorzieningen
Een vergoeding voor huurderving van woonruimte geschikt voor mensen met een beperking wordt vastgesteld op de kale huur per maand met een maximum van 6 maanden.
Een vergoeding voor tijdelijke huisvesting elders in verband met het aanpassen van de huidige of nog te betrekken woning wordt vastgesteld op de huurkosten van de tijdelijk te betrekken woonruimte.
3.21 Sociaal recreatief vervoer
Algemeen gebruikelijk bij sociaal recreatief vervoer is het vervoer van thuiswonende kinderen door ouders, of het vervoer van partners. Niet in alle gevallen of op alle momenten kan dergelijke algemeen gebruikelijke ondersteuning worden geboden, bijvoorbeeld doordat:
- de vervoersbehoefte bestaat op tijdstippen dat degene die het vervoer zou kunnen
verzorgen werkt;
- degene die het vervoer zou kunnen verzorgen niet beschikt over een eigen vervoermiddel
dat geschikt is om de cliënt te vervoeren;
- degene die het vervoer zou kunnen verzorgen niet beschikt over een rijbewijs.
Dit betekent dat in zulke situaties aanvullende ondersteuning noodzakelijk kan zijn.
Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen zijn bijvoorbeeld:
- tandem (met uitzondering van een ouderkind tandem);
- fiets met lage instap, ligfiets;
- spartamet/ tandemmet;
- rollator;
- elektrische fiets/tandem (al dan niet met lage instap) voor een persoon van 16 jaar en ouder;
- bakfiets, fietskar, aanhangfiets;
- personenauto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn;
- autoaccessoires: airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten, trekhaak;
Of een fietsvoorziening algemeen gebruikelijk is, hangt tevens af van de leeftijd van de cliënt. Zo zijn zijwieltjes bij een volwassene niet algemeen gebruikelijk, maar een fiets met trapondersteuning juist niet voor een kind onder de 16.
3.22 Afbakening met vervoer in kader van traject, werk of dagbesteding
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) kan iemand op grond van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) in het kader van zijn werk of opleiding een
vervoersvoorziening verstrekken, voor het vervoer tussen werk/scholing en huis.
In aanvulling daarop kan het UWV op verzoek ook een vervoersvoorziening verstrekken voor privégebruik, als dit naar het oordeel van het UWV leidt tot verbetering van zijn leefomstandigheden. Er moet dan wel een samenhang zijn met de vervoersvoorziening voor woon-werk/scholingverkeer.
Als de vervoersvoorziening op grond van de WIA voor privégebruik niet toereikend wordt gevonden door een persoon, staat het hem vrij om een aanvullende voorziening via de WIA aan te vragen en zo nodig tegen een afwijzend besluit bezwaar en beroep aan te tekenen.
Ontvangt een cliënt ondersteuning bij zijn werk in combinatie met een loonkostensubsidie van de gemeente of bij zijn traject naar werk op grond van de Participatiewet, dat kan daarbij ook een vervoersvoorziening naar het werk of het traject behoren.
Als een cliënt met succes een beroep kan doen op een vervoersvoorziening via de Participatiewet, is een aanvullende vervoersvoorziening op grond van de Wmo mogelijk voor sociaal-recreatief vervoer.
Een maatwerkvoorziening voor vervoer naar de dagbesteding (begeleiding groep) valt ook onder sociaal-recreatief vervoer.
3.23 Algemeen gebruikelijke voorzieningen voor sociaal recreatief vervoer
Als algemeen gebruikelijke voorzieningen voor sociaal recreatief vervoer gelden in ieder geval het reguliere openbaar vervoer en het reguliere taxivervoer.
3.24 Wanneer een maatwerkvoorziening voor sociaal recreatief vervoer noodzakelijk kan zijn
Een voorziening voor sociaal recreatief vervoer kan worden geïndiceerd als een cliënt belemmerd wordt in het zich lokaal verplaatsen omdat hij als gevolg van zijn beperkingen belemmeringen ondervindt in het gebruik van een algemeen gebruikelijke vervoersvoorziening; of de algemeen gebruikelijke of algemene vervoersvoorziening in verband met zijn vervoersbehoefte geen of onvoldoende oplossing biedt in verband met zijn beperkingen; en
- in de vervoersbehoefte niet of niet volledig kan worden voorzien met algemeen gebruikelijke ondersteuning; en
- de cliënt in zijn vervoersbehoefte niet kan voorzien zonder een maatwerkvoorziening voor sociaal recreatief vervoer.
Belemmeringen in het gebruik van algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen kunnen bijvoorbeeld ontstaan omdat:
- een cliënt het openbaar vervoer in verband met zijn beperkingen niet kan bereiken;
- de algemene vervoervoorziening onvoldoende toegankelijk is;
- hij niet in staat is te wachten op het openbaar vervoer;
- er sprake is van ernstige incontinentieproblemen waarbij protectiemateriaal niet volstaat of bij ernstige gedragsproblemen.
Het kan ook zijn dat een algemene voorziening onvoldoende oplossing biedt omdat bijvoorbeeld:
- de vervoersbehoefte zich richt op korte afstanden;
- er sprake is van een reisbehoefte op tijdstippen waarop het openbaar vervoer niet rijdt en het vervoersprobleem tot gevolg heeft dat de cliënt hierdoor niet op een aanvaardbaar niveau zelfredzaam kan zijn of kan participeren;
- het niet kunnen bereiken van de voorzieningen in zijn directe leefomgeving. Het gaat daarbij om een winkelcentrum, een NS-station, het ziekenhuis, de huisarts, de tandarts;
- of belemmeringen om andere mensen te ontmoeten en sociale verbanden aan te gaan, omdat hij zich bijvoorbeeld niet kan verplaatsen naar een buurthuis, het sportcomplex, de vereniging, het zwembad of zijn familie en vrienden of niet de gelegenheid heeft een praatje te maken op straat.
3.25 Reikwijdte maatwerkvoorziening sociaal recreatief-vervoer
Een cliënt kan een maatwerkvoorziening voor sociaal-recreatief vervoer krijgen voor zijn lokale vervoersbehoefte. Hieronder wordt verstaan:
- vervoer tussen een vertrekpunt en een bestemming die beide gelegen zijn binnen het vervoersgebied van het collectief vervoer (Wmo)
- vervoer over maximaal 25 km vanaf het adres waar de persoon zijn hoofdverblijf heeft, waarbij puntbestemmingen zoals de ziekenhuizen in Groningen en Beatrixoord in Haren bereikbaar zijn.
3.26 Selectie maatwerk vervoersvoorzieningen
a) Collectief aanvullend vervoer
Indien het collectief vervoerssysteem (Wmo) een cliënt voldoende compenseert in zijn belemmeringen op vervoersgebied, ligt hierbij het primaat. De vervoersvoorziening kan gecombineerd worden met een vervoervoorziening voor de korte afstand, zoals een scootmobiel.
b) Vervoer per eigen vervoermiddel
Een indicatie voor vervoer per eigen vervoermiddel kan betrekking hebben op aanpassingen aan de personenauto of gebruik eigen auto indien het collectief vervoer niet passend is.
De maatwerkvoorziening kan bestaan uit
- de verstrekking van een aangepaste fiets, rolstoelfiets of handbike (een handbike wordt
gekoppeld aan de handbewogen rolstoel waardoor met armkracht zelfstandig “gefietst” kan worden. Een rolstoelfiets is een fiets waar een rolstoel op geplaatst wordt);
- de verstrekking van een fiets met trapondersteuning aan een kind, jonger dan 16 jaar.
c) Scootmobiel
Een scootmobiel is bestemd als vervoervoorziening voor de korte en middellange afstanden. Voor het gebruik van een scootmobiel is het noodzakelijk dat de cliënt de beschikking heeft over een adequate stallingruimte, danwel dat deze kan worden gerealiseerd.
Een adequate stallingruimte wil zeggen dat deze droog staat in een afgesloten ruimte. Het kan ook gaan om een hal of parkeergarage in een appartementencomplex. Voorwaarde hierbij is dat de stalling van de scootmobiel de veiligheid in het complex niet in gevaar brengt.
Daarnaast zal de cliënt moeten beschikken over de rijgeschiktheid en rijvaardigheid als beginnend bestuurder. Als blijkt dat cliënt over onvoldoende rijgeschikt en rijvaardig beschikt, kan een scootmobiel niet worden geïndiceerd. Ook nadat de scootmobiel is verstrekt, kan het noodzakelijk zijn de rijvaardigheid opnieuw te onderzoeken. Blijkt dat die rijvaardigheid niet langer aanwezig is, dan wordt de indicatie voor de scootmobiel ingetrokken en moet de cliënt deze inleveren.
Scootmobielen zijn leverbaar met verschillende snelheden. De leverancier van de scootmobiel betrekt bij de afweging welke snelheid de scootmobiel moet hebben, met name naar de volgende aspecten:
- de door de cliënt gewenste snelheid van de scootmobiel;
- het reisgedrag van de cliënt: de af te leggen afstanden, maar ook of de cliënt bijvoorbeeld
- samen met een fietser (kind, partner, vriend) op pad wil kunnen;
- de rijvaardigheden: een snelle scootmobiel vergt meer rijvaardigheden en verkeersinzicht dan een langzamer model;
- de mogelijkheden voor stalling van de scootmobiel.
Uiteindelijk zal de goedkoopst adequate scootmobiel worden gekozen.
Autoaanpassing kan bestaan uit:
- een vergoeding voor de aanpassing van de eigen personenauto, mits de personenauto nog geen 5 jaar oud is; in sommige gevallen is ook bij een oudere auto een aanpassing mogelijk, afhankelijk van de soort aanpassing, de meeneembaarheid daarvan en de kilometerstand. Een vervoervoorziening in de vorm van een specifieke autoaanpassing is maximaal één maal per zeven jaar mogelijk.
3.27 Persoonsgebonden budget voor maatwerkvoorziening sociaal-recreatief vervoer
a) Vervoer op maat
Als iemand een indicatie heeft voor een maatwerkvoorziening vervoer kan hij hiervoor slechts onder de volgende voorwaarden een Pgb ontvangen:
- uit onderzoek blijkt dat het gebruik van het collectief vervoer voor de persoon van de aanvrager geen passende voorziening is;
- de cliënt moet het Pgb gebruiken voor de aanschaf van een vervoersvoorziening of de aanpassing van de eigen personenauto.
b) Vergoeding eigen vervoermiddel
De vergoedingen voor gebruik eigen auto of taxi zijn vastgesteld in artikel 11, lid 6 van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Veendam 2020. Deze vergoeding wordt gehalveerd in combinatie met een scootmobiel of elektrische rolstoel.
3.28 Hulpmiddelen
Er zijn diverse hulpmiddelen die de cliënt behulpzaam kunnen zijn bij het zich verplaatsen in of
om de woning. Hierbij valt te denken aan een wandelstok, looprek of een rollator. Deze
voorzieningen zijn voor een ieder algemeen gebruikelijk voorzieningen. De uitleenservice via een thuiszorgwinkel is een algemeen gebruikelijke service die aan de orde kan zijn als de cliënt slechts incidenteel of tijdelijk een rolstoel nodig heeft.
a) Algemene voorzieningen
Als incidenteel of tijdelijk een rolstoel nodig is, is het mogelijk een rolstoel te huren of lenen bij bijvoorbeeld een thuiszorgwinkel of de hulpmiddelenleverancier. De rolstoelenpool die in zorgcentra zijn gerealiseerd kan ook als algemene voorziening worden beschouwd.
b) Maatwerkvoorziening
Een maatwerkvoorziening voor een rolstoel kan aan de orde zijn als er sprake is van
belemmeringen in de zelfredzaamheid en participatie, die niet afdoende opgelost kunnen
worden met een algemeen gebruikelijke of algemene voorziening.
Bij verplaatsingen om de woning gaat het om verplaatsingen in de directe omgeving van de eigen woning: om het huis, naar de buren of bestemmingen in de wijk die op loopafstand liggen. Ook kan een rolstoel worden gebruikt voor het zich verplaatsen op de plek van bestemming, zoals een winkelcentrum of een park waarbij de cliënt zich zelf kan voortbewegen of kan worden geduwd door een ander. In hoeverre een rolstoel aan de orde kan zijn voor het zich verplaatsen op de plek van bestemming, is vooral afhankelijk van de vraag in hoeverre dit bijdraagt aan zijn zelfredzaamheid of participatie.
3.29 Selectie rolstoelen
Er zijn diverse typen rolstoelen te verkrijgen. Bij de selectie van het type rolstoel wordt gekeken naar de volgende aspecten:
- hoe vaak en voor welk doel wordt de rolstoel gebruikt;
- de fysieke mogelijkheden van de cliënt om een rolstoel zelf voort te bewegen;
- of de cliënt de rolstoel zelf moet kunnen voortbewegen of dat het volstaat als een ander
- de rolstoel voortbeweegt;
- of, als een elektrische rolstoel is aangewezen, de cliënt in staat is om deze te besturen.
Geprobeerd wordt om een cliënt, binnen zijn fysieke mogelijkheden en indien dit past binnen de medische behandeling, fysieke spierkracht te laten gebruiken om de conditie zoveel mogelijk op peil te houden. Indien nodig, worden er door de leverancier individuele aanpassingen aangebracht aan de rolstoel. Deze kunnen bestaan uit aanpassingen aan:
- zit-, rug- en ondersteuningsdelen, voor zover deze een vast onderdeel vormen van de rolstoel.
- bediening en/of besturing.
3.30 Stallingruimte elektrische rolstoel
Voor het gebruik van een elektrische rolstoel is het noodzakelijk dat de cliënt de beschikking
heeft over een adequate stallingruimte, danwel dat deze kan worden gerealiseerd.
3.31 Persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen
Als een cliënt ervoor kiest de rolstoel zelf aan te schaffen met een Pgb, wordt de hoogte van
het Pgb vastgesteld op basis van de offerte voor de levering van een adequate rolstoel.
Het Pgb wordt echter gemaximeerd op de kosten die de gemeente verschuldigd zou zijn voor de rolstoel als maatwerkvoorziening gedurende de technische afschrijvingsduur van de rolstoel. De technische afschrijvingsduur wordt voor een volwassene vastgesteld op de termijn die de leverancier voor hulpmiddelen hanteert.
Voor kinderen wordt niet uitgegaan van de technische afschrijvingsduur maar van de te
verwachten gebruiksduur van de betreffende rolstoel, omdat een kind nog groeit en er daardoor binnen een kortere termijn dan de technische afschrijvingsduur een nieuwe rolstoel
nodig kan zijn.
3.32 Sportvoorzieningen
Algemeen gebruikelijk zijn de kosten van reguliere sportbeoefening:
- lidmaatschap van een sportvereniging of toegangskaart voor bijvoorbeeld een zwembad;
- reiskosten naar de sportvereniging en wedstrijden;
- sportkleding.
a) Algemene voorzieningen
Voorbeelden van algemene sportvoorzieningen zijn:
- zwembaden;
- sportverenigingen;
- sportaccommodaties.
a) Wanneer een sportvoorziening noodzakelijk kan zijn
Een sportvoorziening is noodzakelijk als de cliënt door sportbeoefening beter in staat is te
participeren. Ook kan sportbeoefening bijdragen aan de zelfredzaamheid: het draagt bij aan
de verbetering van de conditie en vertrouwen in zichzelf en kan eraan bijdragen dat de cliënt
zijn eigen mogelijkheden en vaardigheden (her)ontdekt.
Omdat de sportvoorziening moet bijdragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie, kan een
sportvoorziening alleen worden verstrekt als de sport regelmatig wordt beoefend. Voor sporten
die slechts incidenteel worden beoefend, zoals skiën en snowboarden tijdens vakanties, is
geen sportvoorziening mogelijk.
3.33 Aard van de sportvoorziening
De sportvoorziening wordt in principe verstrekt in de vorm van een Pgb. Met het Pgb kan de cliënt voorzien in de meerkosten van de sportbeoefening die hij heeft ten opzichte van een persoon zonder beperkingen. Bijvoorbeeld doordat hij een sportrolstoel nodig heeft of een prothese voor atletiek. Indien de cliënt niet in staat is een sportvoorziening, zoals een sportrolstoel, zelf aan te schaffen, kan hij hierbij worden ondersteund vanuit de gemeente.
Artikel 3
- Maatwerkvoorzieningen
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Veendam 2022