Naar hoofdinhoud

Artikel 4

- Melding, onderzoek en aanvraag

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Veendam 2022

De wet schrijft voor dat, zodra een persoon zich meldt met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, er een onderzoek moet worden uitgevoerd. In dit hoofdstuk wordt uitgewerkt hoe de melding bij de gemeente en onderzoek plaatsvinden. 4.1 Melding Een melding kan door of namens de cliënt worden gedaan. De wetgever schrijft niet voor wie allemaal een melding kunnen doen. Het hoeft niet persé te gaan om een vertegenwoordiger van de cliënt, maar het kan ook gaan om bijvoorbeeld de buurvrouw, een arts, of een hulpverlener. Met een melding maakt de cliënt duidelijk dat hij behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning. Dat wil zeggen dat hij een hulpvraag heeft die te maken heeft met belemmeringen in zijn zelfredzaamheid of participatie of dat hij behoefte heeft aan beschermd wonen of opvang. Een cliënt kan zich op diverse manieren melden met een hulpvraag. Dit kan telefonisch, per e-mail, of persoonlijk bij de bureaudienst van de Wmo. Nadat de cliënt zich heeft gemeld wordt in eerste instantie door de medewerker die de melding in behandeling neemt bezien of er echt sprake is van een melding, of dat het gaat om een simpele hulpvraag die direct telefonisch of bij het eerste contact kan worden afgedaan, bijvoorbeeld door de persoon te verwijzen naar het loket of de organisatie waar hij met zijn hulpvraag terecht kan. Is er inderdaad sprake van een hulpvraag, dan zorgt de betreffende medewerker ervoor dat de juiste persoon de melding in behandeling neemt en dat de cliënt (en degene die de melding heeft gedaan als dat niet de cliënt zelf is geweest) van zijn melding een schriftelijke bevestiging ontvangt. Daarnaast wordt de cliënt er op gewezen dat hij recht heeft op onafhankelijke cliëntondersteuning. De cliënt wordt tijdens of na de melding (schriftelijk) geïnformeerd over de mogelijkheid om binnen 7 dagen een persoonlijk plan te overhandigen waarin hij de onderwerpen die tijdens het onderzoek aan de orde zullen komen beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Het persoonlijk plan geeft de omstandigheden aan als bedoeld in artikel 2.3.2, lid 4 onderdelen a tot en met g Wmo 2015, en geeft aan welke maatschappelijke ondersteuning naar de mening van de cliënt het meest is aangewezen. Ook vraagt de medewerker de cliënt een geldig identiteitsbewijs te overleggen en toestemming te verlenen voor de verwerking van persoonsgegevens waarover de gemeente uit andere hoofde beschikt (bijvoorbeeld ten behoeve van de uitvoering van de Jeugdwet, Participatiewet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening) of die de gemeente van de zorgverzekeraar, de zorgaanbieder of andere derden zou willen ontvangen en die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Wmo 2015. In de onderzoeksfase is de vaststelling van de identiteit voldoende (artikel 2.3.4., lid 1 Wmo) Bij het indienen van de aanvraag moet een i.d -document overgelegd worden (artikel 2.3.4., lid 2 Wmo). 4.2 Onderzoek Nadat is vastgesteld dat er sprake is van een melding in de zin van de Wmo 2015, start de medewerker die de melding in behandeling neemt, een onderzoek. Daarbij worden de onderdelen onderzocht die de wetgever in de wet heeft opgenomen. Uit de Memorie van Toelichting blijkt, dat niet alle onderdelen uit het onderzoek uitgevoerd hoeven te worden. Als de cliënt tijdens het onderzoek te kennen geeft dat hij met de aangereikte mogelijkheden uit de voeten kan of geen aanvraag voor een maatwerkvoorziening zal doen, kan het onderzoek als afgerond worden beschouwd. Indien de melding niet door de cliënt zelf is gedaan, wordt degene die de melding heeft gedaan zoveel mogelijk betrokken bij het onderzoek. Als er sprake is van een vertegenwoordiger, wordt ook die bij het onderzoek betrokken. Behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt De behoeften en voorkeuren van de cliënt spelen op een aantal manieren een rol: a) wat is de achtergrond van zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning? b) wat zijn de behoeften van de cliënt bij het zoeken naar een oplossing? Ad a Welke problemen ervaart de cliënt bij zijn zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie? Waar worden deze door veroorzaakt? Waardoor is er volgens de cliënt een noodzaak voor beschermd wonen of opvang? Wat heeft cliënt gedaan om de problemen die hij ondervindt op te lossen. Hierbij wordt zoveel mogelijk geprobeerd in kaart te brengen binnen welke resultaatgebieden de ondersteuningsbehoefte valt. Ad b De cliënt kan aangeven welke wijze van ondersteuning hij in zijn hoofd heeft. Ook in algemene zin kan hij zijn behoeften ten aanzien van het ondersteuningsaanbod aangeven. Ook de achtergrond van de door de cliënt aangegeven behoefte zal daarbij aan de orde komen. Bijvoorbeeld: uit het onderzoek blijkt dat de belemmeringen van de aanvrager alleen opgelost kunnen worden door een woningaanpassing of verhuizing. Het college zal kiezen voor de goedkoopst adequate oplossing. Als blijkt dat de cliënt liever thuis wil blijven wonen, omdat hij hier gebruik kan maken van ondersteuning vanuit zijn sociale netwerk, zal dit door de medewerker betrokken worden bij het formuleren van het uiteindelijke besluit. Daarnaast worden de persoonskenmerken van de cliënt bekeken: om wat voor soort cliënt gaat het? Relevante persoonskenmerken kunnen, afhankelijk van de belemmeringen die de persoon aandraagt, bijvoorbeeld zijn: - de leeftijd; - de gezondheidssituatie; - de mate waarin een persoon actief is geweest voordat hij geconfronteerd werd met zijn beperkingen; - de zelfstandigheid en leerbaarheid van de cliënt. Mogelijkheden eigen kracht en algemeen gebruikelijke voorzieningen Als de belemmeringen, behoeften en voorkeuren van de cliënt in beeld zijn, is de volgende stap om in kaart te brengen wat binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie of tot een oplossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen. In hoeverre kan de cliënt zijn eigen kracht aanspreken, al dan niet door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen? Kan de cliënt bijvoorbeeld door het doen van vrijwilligerswerk wat doen aan zijn participatieprobleem? Kan hij door het anders organiseren van zijn leven misschien geholpen worden? Kan de cliënt verhuizen naar een meer geschikte woning, zodat hij makkelijker uit de voeten kan in zijn woning, maar ook minder problemen heeft om de deur uit te gaan? Kan de cliënt met wat simpele hulpmiddelen, verkrijgbaar in bijvoorbeeld de bouwmarkt, een winkel voor huishoudelijke artikelen of een zelfzorgwinkel, zijn belemmeringen oplossen? Biedt een fiets met trapondersteuning een oplossing voor zijn vervoersprobleem? Mogelijkheden gebruikelijke hulp Bij gebruikelijke hulp gaat het om de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Het gaat derhalve om “algemeen aanvaarde opvattingen”. Specifieke opvattingen van huisgenoten over taken binnen een huishouding, bijvoorbeeld in relatie tussen taken man en vrouw of taken die je kunt vragen van inwonende kinderen, spelen geen rol. Wel wordt rekening gehouden met de individuele belastbaarheid van de huisgenoten. Zijn er bijvoorbeeld huisgenoten waarvan verwacht kan worden dat zij huishoudelijke taken overnemen of de cliënt ondersteunen in zijn participatie? Mogelijkheden mantelzorg en sociaal netwerk Als sprake is van bijvoorbeeld een probleem bij het vervoer of bij het doen van het huishouden, kan ook mantelzorg en de inzet van het sociaal netwerk (inclusief eventuele vrijwilligers in de wijk) een rol spelen bij de oplossing van de belemmeringen van de cliënt. Daarom wordt onderzocht in hoeverre de cliënt beschikt over een sociaal netwerk, of er al mantelzorg aanwezig is of dat mantelzorg mogelijk een optie kan zijn. Mantelzorg overstijgt de gebruikelijke hulp. Daarnaast kan mantelzorg ook door anderen dan huisgenoten worden geleverd, bijvoorbeeld door een buurvrouw of kind dat elders woont. Mogelijkheden algemene voorzieningen of maatschappelijk nuttige activiteiten Met de cliënt wordt vervolgens besproken welke mogelijkheden er zijn ten aanzien van het gebruik van algemene voorzieningen. Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan de algemene voorziening maatschappelijke ondersteuning. Ook kan met de cliënt gesproken worden over de mogelijkheden om door middel van het doen van maatschappelijk nuttige activiteiten een oplossing te bieden voor bijvoorbeeld belemmeringen ten aanzien van de participatie. 4.3 Samenhang in ondersteuning Bij de cliënt moet ook worden geïnformeerd of hij op andere terreinen binnen het sociale domein zorg, ondersteuning of diensten ontvangt. Te denken valt aan zorg ten laste van de Wet langdurige zorg, Zorgverzekeringswet (basispakket of aanvullende verzekering) of op grond van de Participatiewet of Jeugdwet. Maar er moet ook worden onderzocht in hoeverre dergelijke ondersteuning wenselijk zou zijn. Op deze wijze kan, als ondersteuning vanuit de Wmo 2015 nodig blijkt, samenhang worden geboden in het totaalpakket van ondersteuning dat de cliënt ontvangt. 4.4 Bijdragen in de kosten De cliënt zal ook geïnformeerd worden over de eventuele financiële bijdrage die hij is verschuldigd als er gebruik wordt gemaakt van een ondersteuningsaanbod van de gemeente. Een inwoner draagt een vast maandelijks tarief bij voor de eigen bijdragen aan maatwerk Wmo-voorzieningen. Het Centraal Administratie Kantoor (CAK) int de eigen bijdrage. De medewerker kan ten aanzien hiervan globaal en onder voorbehoud informatie verstrekken en zo nodig verwijzen naar (de website van) het CAK. In ieder geval wordt wel door de medewerker duidelijk gemaakt voor welke voorzieningen er een eigen bijdrage verschuldigd is en waar de hoogte van de eigen bijdrage van afhankelijk is. Ook als er een andersoortige bijdrage dan een eigen bijdrage wordt gevraagd, wordt dit aan de cliënt verteld. 4.5 Keuze voor maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget De cliënt wordt geïnformeerd over de mogelijkheid om, als er aanspraak is op een maatwerkvoorziening in de vorm van ZIN in plaats daarvan een persoonsgebonden budget te ontvangen. Daarbij zal de cliënt worden gewezen op de voorwaarden om voor een persoonsgebonden budget in aanmerking te komen, alsmede de rechten en plichten die hieraan zijn verbonden. De medewerker informeert de cliënt over het zorg- en budgetplan. Daarnaast informeert de medewerker de cliënt op zijn verzoek over de maximale budgetten die voor de ondersteuning waarvoor hij een persoonsgebonden budget wil aanvragen van toepassing zijn, alsmede de eisen die worden gesteld aan professionele (formele) en niet professionele (informele) ondersteuning. De cliënt wordt geadviseerd het zorg- en budgetplan op te stellen en aan de medewerker ter toetsing te overleggen tijdens de onderzoeksfase, zodat deze eventueel nog besproken en bijgesteld kan worden en de resultaten van deze toetsing meegenomen kunnen worden in het verslag. Dit kan echter pas op het moment dat er een formeel akkoord is op de toekenning van een maatwerkvoorziening. Daarnaast informeert de medewerker de cliënt, indien van toepassing, welke aanbieders van ondersteuning voor hem in het gebied waar hij woont beschikbaar zijn. 4.6 Verslag De medewerker maakt van het onderzoek een verslag, waarin de bevindingen van het onderzoek worden weergeven. Ook de eindconclusie, inclusief het eventuele maatwerkplan, wordt opgenomen in het verslag. Het verslag wordt aan de cliënt (en zijn eventuele vertegenwoordiger) verstrekt. Cliënten kunnen opmerkingen of aanmerkingen op het verslag toevoegen op het aanvraagformulier. 4.7 Maatwerkplan In het maatwerkplan, dat onderdeel uitmaakt van het gespreksverslag, wordt aangegeven: - in verband met welke belemmeringen ondersteuning nodig is; - welke doelstelling er wordt nagestreefd met de ondersteuning; - op welke wijze deze ondersteuning kan worden vormgegeven; - welke adviezen er aan de cliënt zijn gegeven; - welke afspraken er zijn gemaakt met de cliënt; - indien een maatwerkvoorziening aan de orde is; - welke maatwerkvoorziening aan de orde is; Kiest de cliënt voor een persoonsgebonden budget, dan wordt het goedgekeurde zorg- en budgetplan toegevoegd aan het maatwerkplan. Bij het opstellen van het maatwerkplan is het streven om de cliënt op het niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn situatie past (aanvaardbaar niveau). Daarbij zijn met name van belang: - wanneer van toepassing: de situatie van de cliënt voordat hij getroffen werd door zijn beperkingen; - de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen hebben; - de leerbaarheid van de cliënt, waaronder mede begrepen de mate waarin gestreefd kan worden naar verbetering, stabilisatie of vertraging van achteruitgang in de zelfredzaamheid en participatie, gezien de beperkingen van de cliënt. De ondersteuning beperkt zich tot wat noodzakelijk is in het licht van zelfredzaamheid en participatie en breidt zich niet uit tot wat de cliënt bijvoorbeeld noodzakelijk vindt in het kader van smaak. Ook betekent het niet per definitie dat hij alle hobby’s moet kunnen uitoefenen die hij voorheen uitoefende. 4.8 Zelfredzaamheidsmatrix De medewerker die de melding van de cliënt onderzoekt, kan gebruik maken van de zelfredzaamheid-matrix (ZRM) om vast te kunnen stellen hoe de eigen kracht van de cliënt is op diverse leefgebieden. In hoeverre de medewerker alle of slechts een beperkt aantal leefgebieden van de ZRM doorloopt, is afhankelijk van de aard en complexiteit van de hulpvraag van de cliënt. 4.9 Bekende cliënt Als er sprake is van een cliënt die al bekend is in het kader van de Wmo, wordt voorkomen dat de cliënt opnieuw gegevens moet verstrekken die al bij de gemeente bekend zijn. Wel zal de medewerker de bij de gemeente bekende gegevens doorlopen, om te zien in hoeverre deze nog actueel zijn. Het onderzoek zal zich dan vooral richten op de wijzigingen die er sinds de vorige melding in de situatie van de cliënt zijn opgetreden en de aanvullende of gewijzigde hulpvraag. 4.10 Afhandelingstermijn onderzoek De wetgever schrijft voor dat het onderzoek naar aanleiding van de melding moet zijn afgerond door middel van een verslag binnen zes weken na de melding. In de Memorie van Toelichting is echter aangegeven dat een zorgvuldig onderzoek uitgangspunt is. Mocht omwille van deze zorgvuldigheid, bijvoorbeeld omdat informatie bij derden moet worden opgevraagd, of omdat er sprake is van een complexe hulpvraag vanuit diverse domeinen, de termijn van zes weken niet gehaald worden, dan kan de medewerker in overleg treden met de cliënt om deze termijn te verlengen. Dit wordt vervolgens schriftelijk bevestigd, onder vermelding van de termijn waarbinnen het onderzoek naar verwachting wel is afgerond. Dit laat onverlet het recht van de cliënt om na zes weken een maatwerkvoorziening aan te vragen. Aangezien voor het beoordelen van een dergelijke maatwerkvoorziening dan ook aanvullend onderzoek nodig zal zijn, zal de medewerker naar aanleiding van de aanvraag en met verwijzing naar de Algemene wet bestuursrecht de cliënt eveneens moeten informeren dat de behandelingstermijn van de aanvraag niet wordt gehaald. 4.11 Aanvraag De aanvraag voor een maatwerkvoorziening moet schriftelijk worden ingediend. Hiervoor wordt een passage gereserveerd in het onderzoeksverslag. Een aanvraag kan pas worden ingediend als het onderzoek is afgerond. Is het onderzoek niet binnen zes weken afgerond, dan mag de cliënt wel een aanvraag indienen. Aangezien er op dat moment nog geen onderzoeksverslag is, kan hij de aanvraag indienen met een daarvoor vastgesteld formulier. Zie onderdeel D voor de situatie dat de cliënt een aanvraag indient zonder dat er een melding heeft plaatsgevonden. a) Ingezetene Een persoon heeft slechts recht op een maatwerkvoorziening voor zover hij ingezetene is van de gemeente. Dat wil zeggen dat hij zijn woonplaats moet hebben in de gemeente. Artikel 1:10 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de woonplaats van iemand zich bevindt te zijner woonstede, en bij gebrek van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. Het gaat om waar iemand werkelijk woont, de plaats waar iemand niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en tevens met het plan om, als dat doel is bereikt, terug te keren. Artikel 1:11 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Iemand wordt vermoed zijn woonstede te hebben verplaatst, wanneer hij daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze kennis heeft gegeven aan de gemeentebesturen. Normaal gesproken komen woonplaats, inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) en feitelijke verblijfplaats overeen en is dus duidelijk wat de woonplaats is. Als iemand 2 adressen heeft, bijvoorbeeld een woning en een vakantieadres, of een woning en een revalidatiecentrum, dan is van belang waar de persoon staat ingeschreven en of hij de intentie heeft terug te keren naar zijn woning. Door een tijdelijk verblijf in een instelling of een tijdelijk verblijf op een vakantieadres verliest iemand derhalve niet zijn woonplaats/ingezetenschap. Als bij de persoon iemand staat ingeschreven die daar feitelijk niet woont, komt dat voor rekening en risico van de aanvrager van de cliënt: Als er in de BRP medebewoners staan ingeschreven die als huisgenoot kunnen worden aangemerkt, wordt hiermee rekening gehouden in het onderzoek. Het is aan de persoon om er zorg voor te dragen dat personen die feitelijk niet bij hem wonen, worden uitgeschreven. Als uit onderzoek blijkt dat er bij een persoon iemand inwoont die kan worden aangemerkt als huisgenoot, wordt hiermee bij de vaststelling van de ondersteuning rekening gehouden, ook al staat de medebewoner in de BRP niet ingeschreven op het betreffende adres. In de Wmo 2015 is vastgelegd dat een ingezetene van Nederland in aanmerking kan komen voor een maatwerkvoorziening. Het begrip "ingezetene" is echter niet gedefinieerd in artikel 1.1.1 Wmo 2015. Het is niet duidelijk wanneer een cliënt een ingezetene is en of bij de definitie aansluiting moet worden gezocht bij de Wet Brp. Dat zou betekenen dat de feitelijke verblijfplaats een ondergeschikte rol gaat spelen en juist de inschrijving in de basisregistratie doorslaggevend is. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een BRP-inschrijving belangrijk maar niet doorslaggevend is. Het is vooralsnog onduidelijk of de term 'wonen' onder de Wmo 2015 ook op deze manier uitgelegd moet worden. Dat zou een discrepantie opleveren met de definitie van het term 'ingezetene' op grond van de Wet Brp. Voor ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen en opvang geldt niet dat de cliënt ingezetene moet zijn van de gemeente. De gemeente is gehouden deze ondersteuning te leveren aan iedere burger die zich tot de gemeente wendt en die daarvoor in aanmerking komt. b) Persoonsgebonden budget Als een cliënt de ondersteuning in de vorm van dienstverlening voor één of meerdere resultaatgebieden door middel van een persoonsgebonden budget zelf wenst in te kopen, moet hij bij zijn aanvraag een zorg- en budgetplan overleggen, op basis van het format dat hem hiervoor is verstrekt. Daarnaast overlegt hij de conceptovereenkomst die hij met de aanbieder(s) wil afsluiten (bij dienstverlening). Hiervoor stelt de Sociale Verzekeringsbank (SVB) modellen ter beschikking. Voor andere vormen van ondersteuning, bijvoorbeeld voor een woningaanpassing of een hulpmiddel, wordt geen volledig zorg- en budgetplan gevraagd, maar gelden afwijkende voorwaarden. Dit is opgenomen in het hoofdstuk maatwerkvoorzieningen. Het college dient de overeenkomst goed te keuren voor wat betreft de zorginhoudelijke kant, de SVB keurt de overeenkomst op arbeidsrechtelijke aspecten. c) Afhandelingstermijn De afhandelingstermijn voor de aanvraag bedraagt 2 weken. Als de cliënt voor de afhandeling van zijn aanvraag nog gegevens moet overleggen, dan wordt hem dat schriftelijk gevraagd, met vermelding van de termijn waarbinnen hij die gegevens moet overleggen. De afhandelingstermijn wordt opgeschort zolang de cliënt de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd. De afhandelingstermijn kan ook in overleg met de cliënt en na diens toestemming worden opgeschort. Als de gegevens niet binnen de termijn zijn verstrekt, kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld als deze gegevens wezenlijk zijn voor de afhandeling van de aanvraag. Als meer tijd nodig is om tot een besluit te komen, dan kan de afhandelingstermijn met een redelijke termijn worden verlengd. Wat een redelijke termijn is, is afhankelijk van de reden waarom meer tijd nodig is, maar zal normaal gesproken niet meer dan 8 weken kunnen bedragen. De cliënt wordt op de hoogte gesteld dat zijn aanvraag niet binnen 2 weken zal worden afgehandeld. In de brief wordt tevens vermeld wanneer hij het besluit wel kan verwachten. d) Aanvraag zonder meldingsprocedure Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening (of persoonsgebonden budget) kan door een cliënt alleen worden gedaan als het volledige onderzoek is afgerond, tenzij: - het onderzoek niet is uitgevoerd binnen 6 weken; - er naar het oordeel van de medewerker die de aanvraag in behandeling neemt sprake is van een spoedeisende situatie. In de wet staat geen termijn genoemd waarbinnen een aanvraag moet zijn gedaan na afronding van het onderzoek. Als er naar de mening van de medewerker een dusdanig lange termijn zit tussen afronding onderzoek en indiening aanvraag, dat er twijfels zijn of het onderzoeksverslag nog actueel genoeg is, zal dit met de cliënt worden besproken. Daarbij wordt ook de reden gevraagd waarom de cliënt zo lang heeft gewacht met het indienen van zijn aanvraag en hoe hij de situatie in de tussentijd heeft opgelost. De medewerker kan er, afhankelijk van zijn bevindingen, voor kiezen het onderzoek volledig opnieuw te doen, dan wel het verslag met de cliënt door te lopen om te bezien in hoeverre er nog wijzigingen zijn. Dit (aanvullende) verslag wordt aan de cliënt verstrekt. Als een cliënt een aanvraag indient terwijl er geen sprake is geweest van een melding èn er ook geen sprake is van een spoedeisende situatie, dan wordt de aanvraag niet in behandeling genomen, maar wordt eerst een onderzoek ingesteld. De aanvraag kan worden aangemerkt als een melding. De cliënt wordt ervan op de hoogte gesteld dat de aanvraag te vroeg is ingediend en (voorlopig) niet in behandeling wordt genomen totdat het onderzoek is afgerond en de cliënt de aanvraag wil handhaven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel