Gelders afwegingskader gebiedsgericht grondwaterbeheer
Uitgangspunt van het afwegingskader is dat initiatiefnemers verschillende ambities kunnen stellen voor het grondwaterbeheer in het gebied. Die ambities zijn afhankelijk van de plannen en ambities voor de inrichting van het gebied en voor het gebruik van het grondwater in het gebied. Daarnaast zullen de ambities ook bepaald worden door de beschikbare financiële middelen en de technische randvoorwaarden.
Het voordeel van het denken vanuit ambities is dat dit goed aansluit bij de bestuurlijke denkwijze. Het denken vanuit ambitieniveaus gaat uit van kansen, en wordt dus niet gedomineerd door een focus op beperkingen. Werken vanuit ambitieniveaus schept daardoor ruimte voor creativiteit en een proactieve opstelling. Ook biedt het denken vanuit ambities ruimte voor flexibiliteit op maatregelenniveau.
Het ambitieniveau wordt voor ieder sectoraal grondwateraspecten afzonderlijk bepaald. Het gaat daarbij om de grondwateraspecten wko, grondwaterverontreiniging en grondwaterkwantiteit. Hierbij zijn drie ambitieniveaus onderscheiden:
Ambitieniveau LAAG:
Dit ambitieniveau is vanuit het sectorale beleid hetgeen wettelijk gezien minimaal nodig is, doch dit is vanuit een integrale gebiedsgerichte optiek niet gewenst (grondwaterkwantiteit en grond-water¬kwaliteit) of gaat uit van een benutting van het grondwater voor warmte-koude-opslag die lager is dan de huidige praktijk.
Ambitieniveau HOOG:
Dit ambitieniveau staat voor een stap voorwaarts ten opzichte van de huidige situatie (grondwater¬kwantiteit en grondwaterkwaliteit) of voor een optimale benutting van het grondwater voor warmte-koude-opslag.
Ambitieniveau MIDDEN:
Het ambitieniveau tussen het niveau LAAG en niveau HOOG. Dit staat voor ‘stand still’ (grond-water¬kwantiteit en grondwaterkwaliteit) of voor minder benutting van het grondwater voor warmte-koude-opslag dan in potentie mogelijk is, maar meer dan de huidige praktijk is.
Tabel 1 beschrijft de uitwerking van deze drie ambitieniveaus voor de drie aangegeven grondwater-belangen. Voor een uitgebreidere beschrijving wordt verwezen naar de afzonderlijke nota ”Afwegingskader gebiedsgericht grondwaterbeheer Gelderland” (rapportnummer 08_020 R004), wat te vinden is op de site van de provincie Gelderland, de gemeente Arnhem en de gemeente Nijmegen.
Inzet bevoegde gezagen: vooruitgang grondwaterbeheer op gebiedsniveau
De inzet van de bevoegde gezagen Wbb en Waterwet is dat gebiedsgericht grondwaterbeheer moet leiden tot een verbetering van het grondwaterbeheer in het gebied waar dit beheer wordt ingesteld. Gebiedsgericht grondwaterbeheer moet dus op gebiedsniveau leiden tot een ‘plus’ voor het grond¬water-beheer. Deze inzet wordt als volgt vertaald naar de ambitieniveaus:
Keuze voor een LAAG ambitieniveau is toegestaan voor maximaal één grondwateraspect, mits men voor een of twee van de overige grondwateraspecten in het gebied kiest voor een HOOG ambitie¬niveau.
Van de initiatiefnemers van GGB-plannen verwachten de bevoegde gezagen Wbb en Waterwet dat zij voor alle drie genoemde grondwateraspecten onderzoeken wat het hoogst haalbare ambitieniveau is.
De Wbb en de Waterwet verwachten een maximale inspanning van de initiatiefnemers om negatieve effecten zo mogelijk te voorkomen of op te heffen (artikel 38 Wbb en artikel 6.4 Waterwet).
De bevoegde gezagen zullen de samenwerking met de initiatiefnemers zoeken om te stimuleren dat het gebiedsgerichte beheer leidt tot een gewenste verbetering voor het grondwaterbeheer.
Toelichting bij tabel 1
Indien in de ontwikkelingsgebieden met een grote warmte- en koudevraag binnen het beheer¬gebied in belangrijke mate wordt voorzien in deze vraag door restwarmte of bio-energie, of indien de potentie voor WKO zeer gering is binnen het beheergebied, wordt het aspect bodemenergie niet betrokken bij de beoordeling van het plan voor gebiedsgericht grondwater¬beheer.
Bij de indeling van de ambities voor benutting van grondwater voor warmte-koude-opslag worden gesloten WKO-installaties in principe niet betrokken, tenzij aangetoond wordt dat er een relatie is tussen gesloten WKO-installaties en de kwantiteits- of kwaliteitsaspecten van het grondwaterbeheer. Als die relatie wordt aangetoond staan de bevoegde gezagen open voor een dialoog hierover, op basis waarvan mogelijk dit afwegingskader zal worden herzien.
De kwetsbare objecten zijn beschreven in bijlage 3.
Artikel 38 van de Wet bodembescherming schrijft voor dat het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk moet zijn beperkt. Keuze voor een LAAG ambitie¬niveau ten aanzien van de grondwaterverontreiniging vereist een goede onderbouwing waaruit moet blijken dat het gebiedsgerichte beheer van de verontreiniging niet strijdig is met artikel 38 Wbb. Deze onderbouwing dient in nauw overleg met het bevoegd gezag Wet bodem¬bescher¬ming te worden voorbereid.
De genoemde signaalwaarde kan per kwetsbaar object verschillen (zie bijlage 3). Voor kwets¬bare objecten die een relatie hebben met natuur is een overschrijding van de streefwaarde voor bijvoorbeeld zink minder belastend dan een verhoogd nitraat-gehalte (waarvoor geen streef¬waarde is vastgesteld).
Met samenloop wordt bedoeld het parallel laten lopen van verschillende maatschappelijke processen bijvoorbeeld een bodemsanering in combinatie met het grondwerk nodig voor bouwwerkzaamheden.
Met bruto vloeroppervlak wordt bedoeld de som van het het vloeroppervlak van alle binnenruimten die behoren tot het gebouw (voor een uitgebreide definitie zie NEN 2580)
Tabel 1 Ambitieniveaus op schaalniveau van een beheergebied
| Grondwater aspect | Ambitieniveau LAAG | Ambitieniveau MIDDEN | Ambitieniveau HOOG |
| Bodemenergie (WKO) | In ontwikkelingsgebieden waar nu of in de toekomst een grote warmte- en koudevraag is: Toepassing van WKO op minder dan 1/3 van het bruto vloeroppervlak (BVO) van de ontwikkeling dat geschikt is voor aansluiting op WKO. Inefficiënt ondergronds ruimtegebruik door bodemenergie en enige temperatuursverandering buiten het hydraulische invloedsgebied van de WKO, die geen invloed heeft op overige gebruiksfuncties is beperkt toegestaan | In ontwikkelingsgebieden waar nu of in de toekomst een grote warmte- en koudevraag is: Toepassing van WKO 1/3 tot 2/3 van het bruto vloeroppervlak (BVO) van de ontwikkeling dat geschikt is voor aansluiting op WKO Efficiënt ondergronds ruimtegebruik door bodemenergie en geen temperatuursverandering buiten het hydraulische invloedsgebied van de WKO | In ontwikkelingsgebieden waar nu of in de toekomst een grote warmte en koudevraag is: Toepassing van WKO op meer dan 2/3 van het bruto vloeroppervlak (BVO) van de ontwikkeling dat geschikt is voor aansluiting op WKO Efficiënt ondergronds ruimtegebruik van energie en geen temperatuursverandering buiten het hydraulische invloedsgebied van de WKO |
| Grondwater verontreiniging | Bescherming kwetsbare objecten. Zodra bedreiging van deze objecten wordt geconstateerd (streefwaarde-overschrijding of een andere onderbouwde signaalwaarde) dient de gebiedsbeheerder het faalscenario in werking te laten treden, zodat de bedreiging van het kwetsbare object wordt weggenomen of indien dat niet mogelijk is, wordt beheerst. | Ambitieniveau LAAG aangevuld met Stand still, gedefinieerd als: Stand still op rand van het gebied + alleen in aangewezen deelgebieden achteruitgang van de kwaliteit + in overige deelgebieden stand still. | Ambitieniveau MIDDEN aangevuld met Step forward, ook indien dat niet in samenloop kan. Op termijn afname van de beheerinspanning, eventueel door verkleining van het beheergebied. |
| Grondwater kwantiteit | Acceptabele effecten: Gebruik grondwater is effectief. Geringe acceptabele negatieve effecten op landbouw, natuur, bebouwing en/of archeologie. Enige beïnvloeding zoet-zout grensvlak, maar geen aantasting zoetwatervoorraden. | Stand still: Gebruik grondwater is efficiënt en effectief. Geen positieve dan wel negatieve effecten op waterhuishoudkundige situatie bij natuur (HEN- en SED-wateren) en bebouwing. Geen beïnvloeding zoet-zout grensvlak van betekenis. | Step forward: Gebruik grondwater is efficiënt en effectief. Positieve effecten op plaatsen waar de waterkwantiteit niet voldoet aan de eisen vanuit de functie: * verminderen wateroverlast bebouwd gebied; * verminderen knelpunten watervoerendheid HEN- en SED-wateren; * verminderen verdroging natte natuurgebieden. Geen negatieve effecten op één van de bovengenoemde functies. Geen beïnvloeding zoet-zout grensvlak van betekenis. |