Bij de kartering van landschapstypen zijn we uitgegaan van historische verschillen tussen landschappen zoals ze zich op kaartmateriaal uit de afgelopen twee eeuwen manifesteren. Daarbij zijn de TMK uit 1850 en de Chromotopografische Kaart des Rijks uit circa 1930 als ijkpunten gehanteerd. Steeds hebben we op basis van het historisch onderscheid tussen deze landschappen gebieden begrensd. Daarbij zijn we zoveel mogelijk uitgegaan van de historische of huidige wegen en/of kavelgrenzen als begrenzing, zodat enerzijds de grens historisch te onderbouwen is, maar daarnaast een vertaling naar het bestemmingsplan mogelijk is.

Bij het typeren van elk deelgebied hebben we allereerst een indeling in hoofdlandschappen gemaakt. Daarna is verder in sublandschappen onderverdeeld. Daarbij hebben we een zo helder mogelijk onderscheid tussen de aanwezige landschappen proberen aan te brengen. Steeds moest daarbij gelet worden op een aantal aspecten:

  • - een onderverdeling die recht doet aan de grote variatie aan landschappen die in de gemeente Berkelland te vinden is;
  • - een onderverdeling die nog zo gecomprimeerd is dat niet elk verschil tot weer een nieuw type leidt;
  • - een onderverdeling die de ‘couleure locale’ eer aandoet.

Afhankelijk van de veelvormigheid zijn sommige hoofdlandschappen in slechts enkele, en andere in een groot aantal subtypen onderverdeeld.

Op basis van een dergelijke benadering is het ons inziens goed werkbaar om de landschapskarakterisering door te vertalen naar concreet gemeentelijk beleid, bijvoorbeeld in beheer, planontwikkeling en bescherming.

De gebruikte methodiek sluit nauw aan op systematieken zoals die in de afgelopen 20 jaar door organisaties als Alterra en Overland voor de typering van landschappen in een Wageningse traditie zijn ontwikkeld. De basis voor deze traditie is gelegd door de afdeling Historische Geografie van de vroegere Stichting voor Bodemkartering en Staring Instituut in Wageningen.