Een deel van de akkercomplexen in de gemeente Berkelland vertoont vanuit historisch perspectief kenmerken van een mindere integratie van de akkers in één open, aaneengesloten geheel. Op topografisch kaartmateriaal uit de 19e en 20e eeuw herkennen we, ondanks de kennelijke neiging van de verschillende kampen om één geheel te gaan vormen, nog een groot aantal ruimtelijke scheidingen in de vorm van bijvoorbeeld houtsingels en laagtes. De historische achtergrond van dit verschil is niet helemaal duidelijk, maar mogelijk gaat het om een geringere doorontwikkeling door het uitblijven of in mindere mate optreden van intensivering van grondgebruik in de Late Middeleeuwen of vroege Nieuwe tijd. In deze periode noopte bevolkingsgroei tot een intensiever gebruik van agrarische gronden, en de hierboven genoemde plaggenbemesting was één van de vindingen om dat te bereiken.23Vangheluwe & Spek, 2008 Het opheffen van ruimtelijke barrières op akkercomplexen om de beschikbare grond efficiënter te gebruiken, was een andere. Boerderijen lagen ook in dit landschapstype merendeels aan de randen van de akkers, maar ook binnen de akkers kwamen erven wel voor. Al met al ademden de akkercomplexen wel het aaneengesloten karakter, maar waren er onderbrekingen die ervoor zorgden dat het net geen grootschalig open complex (Kd1) was.

Een typerend voorbeeld van een dergelijke open akker met (oudtijds) herkenbare individuele kampen is het akkercomplex van Ruurlo. Door de sterke uitbreiding van Ruurlo in de laatste decennia is hier nu nog weinig van herkenbaar. De Schansenkamp is misschien nog het fraaiste fragment van dit complex (figuur 3.3), niet in de laatste plaats omdat dit perceel functioneert als ‘lucht’ tussen dorpskern en kasteel. Andere voorbeelden van dergelijke complexen vinden we terug in Beltrum, Noordijk, ’t Loo, Gelselaar, Eibergen en Geesteren (Boerenesch).