Qua historische ontwikkeling en landschappelijk karakter vergelijkbaar met de oude kampontginningen is de bosrijke variant. In de directe omgeving van deze oude kampontginning ontwikkelde zich een groot loofbos, dat onder meer door de direct aangrenzende erven voor houtoogst zal zijn gebruikt. Specifiek beheer vanuit het aangrenzende erf heeft vermoedelijk aan behoud van deze bossen op deze locaties bijgedragen. In vrijwel alle gevallen gaat het om een agrarische context waarin de bossen bewaard zijn gebleven, maar niet zelden zal er een bescheiden elitair tintje aan het desbetreffende erf zijn. Van dit landschapstype kennen we meerdere varianten. Soms lag het bos als een deken om de bouwlandkamp van het erf heen, zoals bij de Forme ten noordwesten van Ruurlo (figuur 3.6). Interessant is dat hier sprake was van een jus compascii,24Letterlijk ‘medegebruiksrecht’, afgeleid van het Latijnse jus (recht) en compascuum (gezamenlijk gebruikt stuk land). een zakelijk recht tot medegebruik van de bossen. De Kleine Forme was in de 16e eeuw ontstaan bij of afgesplitst van de Grote Forme, en vanaf dat moment was er sprake van een zakelijk geregeld medegebruik. Voor 150 gulden werd dit recht in 1741 opgeheven.25Keunen, manuscript
In andere gevallen hebben we met een bescheiden dal te maken waarin het bos lag, terwijl op aangrenzende dekzandruggen de kampen gesitueerd waren. Hiervan is het Kerkwijker Bos, alhoewel verkleind ten opzichte van de 19e-eeuwse situatie, nog steeds een goed voorbeeld. Ook ten westen van Borculo vinden we, naast enkele kleinere gebiedjes in de omgeving, een voorbeeld van een dergelijk landschap, dat de tijd nog relatief goed doorstaan heeft. Hier ligt het op een klassieke wijze op een gradiënt van beekdal via kampenlandschap naar de voormalige heide.