Een zeer groot aantal deelgebieden scharen we onder de vochtige kampontginningen. We kunnen deze ontginningen als de vochtige variant van de hiervoor genoemde oude kampontginningen (Kd3) aanduiden. Anders dan in die kampontginningen overheerste in de vochtige kampontginningen het laaggelegen grasland of de (natte) heide. De aanwezige, merendeels wel middeleeuwse bouwlandkampen maakten minder dan de helft van de oppervlakte uit (figuur 3.9). Zij sloten daarbij dus niet, zoals in de oude kampontginningen, op elkaar aan. In een aantal gevallen gaat het bij de vochtige kampontginningen om de aangrenzende zone, waar naast verspreide kampjes ook de erven lagen van waaruit in de oude kampontginningen geboerd werd. Naast die variant betreft het echter op zichzelf staande kampenlandschappen met wat grotere kampen in laag gelegen landschap. Ook daar kwam bebouwing in het landschap voor. Het verschil met de ontginningen onder het type ‘randzone van de heide’ is dat daar nog kleinere kampjes in een nog grotere ‘zee van heide’ lagen.
Op de kaart vinden we een relatief groot aantal gebieden van een redelijke omvang die tot dit type gerekend kunnen worden. Anders dan bij de oude kampontginningen, die toch wat vaker geconcentreerd lagen rond de dekzandruggen nabij de Berkel, vinden we dit landschap in grote delen van de gemeente Berkelland terug. De gemiddelde gaafheid van deze gebieden is laag, omdat de landschappelijke structuur met zijn lage, onregelmatig gevormde percelen met perceelsrandbeplanting zich weinig voor moderne landbouw leende. Eén van de weinige goede voorbeelden vinden we in een groot gebied waar dit landschapstype voorkomt, namelijk het Brammelerbroek. Het Brammelerbroek is een goed voorbeeld van een betrekkelijk natter landschap met verspreide middeleeuwse bouwlandkampen. Relatief late aanwezigheid van substantiële hoeveelheden bos op de woeste gronden blijkt uit het feit dat de marke van Brammelo en Brammelerbroek tot in de 19e eeuw nog bijeenkomsten hield die holtingen werden genoemd.26Keunen, manuscript De omgeving van het Teeselinkven, in beheer van onder meer het Gelders Landschap, behoort tot de gaafste vochtige kampontginningen (figuur 3.10). In het overige deel van het Brammelerbroek zijn met name de verkaveling en het grondgebruik in sterke mate gewijzigd. Daardoor is het historische karakter nog slechts op basis van een aantal hoofdlijnen (wegen, groen, erven) herkenbaar.