Synchroon aan de enigszins regelmatige droge kampontginningen (Kd5) kennen we ook enigszins regelmatige vochtige kampontginningen. Deze gebieden kenmerken zich door een mozaïek van min of meer regelmatige, maar vaker onregelmatige kavels met daarbij niet-ontgonnen broek of heide. Wat opvalt is dat ze vaak in de nabijheid van beekdalen voorkomen.

Het karakter was kleinschalig, onder meer door het voorkomen van perceelsrandbeplanting. De ontginning van aangrenzende heidevelden had tot gevolg dat deze deelgebieden vaak betrekkelijk rationeel werden (her)ingericht waar het gaat om het wegenpatroon (figuur 3.11). Anders dan bij de jonge heideontginningen met mozaïekkarakter (Ha2), waar we later nog op zullen terugkomen, was hier al vóór 1850 een aanzienlijke hoeveelheid reeds ontgonnen land aanwezig. In het landschap kwam, net als in de drogere variant, bebouwing voor.

De meeste deelgebieden zijn nog in redelijke toestand, maar heel gaaf is maar één deelgebied te noemen. Het gaat om een gebied tegen de Geesterense Es (figuur 3.12). In het gebied is nog behoorlijk wat opgaande beplanting aanwezig. Een aantal gebieden, zoals in Overbiel, bij Leo-Stichting en bij Rekken is ook nog gaaf te noemen. Het merendeel behoort tot de middencategorie, waarbij de hoofdstructuur nog herkenbaar gebleven is, maar de gebieden zijn ‘uitgekleed’. Enkele deelgebieden zijn omgevormd tot camping, en slechts in één geval is een gebied overbouwd geraakt. Het betreft een klein gebied bij Leo-Stichting.