Een zeer bijzonder oud boscomplex is de Meene in Ruurlo, bestaande uit twee boscomplexen, gescheiden door weiden: de Kleine Meene en de Grote Meene. De naam wijst er op dat het eertijds gemeenschappelijk gebruikt moet zijn, maar in historische bronnen vinden we uitsluitend verwijzingen naar de heer van Ruurlo als eigenaar, al vanaf de vroege 18e eeuw. Het westelijke deel bestond al in de vroege 19e eeuw uit dennenbos, met slechts hier en daar een perceel akkermaalshout (hakhoutbos). Het oostelijke bos bestond in 1832 geheel uit opgaande (loof)bomen. Het onderscheid tussen dennenbos in het westen en loofbos in het oosten zien we eveneens terug op de landgoedkaart van Ruurlo uit 1808.35Gelders Archief, archief Huis Ruurlo, inventarisnummer 908, d.d. 1808 De kronkelende wandelpaden in beide bossen wijzen doorgaans op een aanleg in een landgoedcontext, wat hier gezien de eigendomssituatie ook goed voorstelbaar is (figuur 3.28).
Jacobus Craandijk beschreef in 1876 op zijn tocht door de Achterhoek ook de (oostelijke Groote) Meene. De tekst is zo beeldend dat we deze hier in zijn totaliteit opnemen:
- - “Wat aan Ruurlo een bijzondere aantrekkelijkheid geeft, is het oude, wilde bosch, dat, onder den bescheiden naam van de grooteMeene op eene oppervlakte van ca. 9 bunders een' schat van natuurschoon te genieten geeft. 't Is wel geen ‘maagdelijk woud’ in den vollen zin van het woord, zooals tot voor korten tijd nog bij Beekbergen werd aangetroffen, maar 't is toch een bosch vol woeste, onbesnoeide schoonheid. Schaarsch wordt hier de bijl des houthakkers gehoord, zelden komt spade en schoffel onder deze digte gewelven. Zooals zij groeijen willen, groeijen de boomen; zooals zij vallen, blijven zij liggen. De doode stammen, de dorre takken schemeren spookachtig tusschen bemoste tronken en digtebladerkroonen door. Rijkbegroeid is de grond van het bosch; uit de dikke laag der afgevallen bladeren schieten grasgewassen, varens, heesters, hulstbosschen in wilde mengeling op. Veelkleurig mos breidt als een mollig tapijt zich uit langs de kanten der wegen en bedekt de knoestige wortels der boomen. Klimop en kamperfoelie klimt langs de stammen omhoog en hangt in weelderige festoenen langs de slanke zuilen van dezen woudtempel neêr. Bundels van zes, zeven, acht stammen rijzen uit éénen wortel op. Eik en beuk groeijen als uit éénen tronk. Hoog in de lucht mengt zich het lichte, teedere groen van het beukenblad met het donker eikenloof en het zwart groen van de sparren, - lager, tusschen het glinsterend hulstbosch, de graauwe schors van den eik met het fijne grijs van den beukebast en de roode schubben der mastboomen. Over den bruinen grond, met het glanzend mos en de wuivende varenpluimen, spelen de schaduwen van het loofdak en de schitterende stralen van het licht, dat de zon door de openingen van het reusachtig gewelf naar beneden giet. Hier heerscht een aangrijpende stilte; hier overweldigt u een magtige indruk; hier wordt het oog niet verzadigd van de grootschheid, die alom treft en boeit. Maar wenscht gij, aan ruimer horizon gewoon, ook vrijer uitzigt te genieten, welnu, ziet dan eens hier, aan den zoom van het woud, waar de dikke beukenstammen over de begroeide greppels hangen, waar, meer dan elders nog, de takken op grillige wijs in en door elkander zijn gegroeid. Daar ligt de vlakte: bouw en weiland, met het golvend koren, met de witte boekweit, met het welig groen, scherp afstekend bij den donkeren wal van de boomen op den straatweg en van de bosschen, die zich daarbij aansluiten. In de verte rijst de toren van het kasteel, en wat naderbij ligt de groote boerderij, met haar' eigen toren, - haar' volgeladen hooiberg - en het grazend vee op de weide. Aan de grooteMeene sluit zich de wat jonger en minder woeste kleine Meene, en daaraan weêr het nog meer geregeld aangelegde Ravenbosch. De wandeling daar doorheen zou ons bij de groote laan op den Vordenschen straatweg brengen. Bij ruimte van tijd is ook de omzwerving door deze bosschen wel aan te bevelen.”36Craandijk, 1876: 151-152
In 1888 kwam hij er terug, en trof het nu anders aan:
- - “Bij vernieuwing treft ons het heerlijke bosch, door zijn woeste partijen, door de grillige vormen der stammen en takken van zijn digt opeengedrongen hout, door het forsche struikgewas, dat in weelderigen overvloed den bodem alom overdekt. Het komt ons echter voor, dat het iets van zijn wilde, romantische schoonheid verloren heeft. De breede paden zijn meer onderhouden, het doode hout schijnt meer te worden weggenomen. Het is wat opgeknapt, en in zoover is de indruk niet zoo sterk en zoo diep meer als voorheen. Toch blijft het een heerlijk bosch.”37Craandijk, 1888: 289
Nog in 1902 schreef men in Elsevier:
- - “De straatweg naar Vorden strekt zich hier voor ons uit, als een hoog-gewelfde laan, breed en aan weerszijden door bosch geflankeerd, rechts de Groote Meene, links de jongere dennenaanplantingen. Ver weg breiden de breede stammen zich uit, hun loover in perspectief versmallend over de onafzienbare allee. En zandlaantjes aan beide zijden, gestoffeerd met heidestruiken, hulst en juniperus, verbonden als met los rafelige kant de bosschen aan den zwaren, rechten zoom van opgaand geboomte. Ik zou niet weten, waarom de Middachter Allee iets boven deze zou voor hebben. En de Groote Meene was wel niet meer het bosch, zooals de oude Heuvink dat wellicht het laatst had gezien. De omgestormde boomstammen waar dwars over heen kamperfoelie of klimop een groene wade slingerden, konden we nergens bespeuren, en de paden zagen er allemaal netjes onderhouden uit. Maar de door ons allen nauwelijks te omvamen beuken, waaruit vier vijf reuzenstammen omhoog rezen, de eerst langs den grond kruipende en dan in bochten zich oprichtende armen, deden een stillen eerbied in ons oprijzen. De jongens zelfs zaten op een bij den grond afgezaagden tronk, groot genoeg om voor het blad van een groote koepeltafel te dienen, en staarden kalm voor zich in den doffen nevel, waarin het gladde groen van woest door elkaar kroelende hulsten en klimop, rankende kamperfoelie en grillige juniperis als zwarte schimmen oprezen. Wij rustten op een boomstam, die op schraagpootjes neer lag, en voelden de stilte van die hooge verwulven neerdalen, evenals het getingel van de klare meezen-schelletjes, dat tot een damp uitmiezerde van de fijnste geluidjes, die spikkelden door het heilige zwijgen om ons. En aan den zoom van het bosch de teergroene weiden, vol jonge sprietjes satijnig-geel als lenteknoppen, waarover het zware vee de koppen begeerig neer-rekte, het sappige kruid afscherend met zacht, wellustig snuiven. Verderop de kreupelhout-singels om de bouwakkers, opsparend de zonnestralen óm het gele koren en de wit-bloeiende boekweit.”38http://www.elseviermaandschrift.nl/EGM/1902/07/19020701/EGM-19020701-0170/EGM-19020701-0170.pdf
Van deze Meene is nu niet veel meer over. In de loop van de 20e eeuw is de Groote Meene in naaldbos omgezet. Plaatselijk ziet men nog wel de enorme stoven van het lang geleden gekapte hoogopgaande hout. Van het bos zijn ook de nodige ansichtkaarten uitgebracht, waar men de oude sfeer nog kan herkennen.