Het landelijk wonen vanaf de 17e eeuw is nauw verbonden met de verdedigbare locaties van de eeuwen daarvoor. Veel middeleeuwse kastelen kregen in de Nieuwe tijd een nieuw bestaan als buitenplaats. Het militair belang van kastelen nam door de ontwikkeling van de techniek af, terwijl tegelijkertijd de elite op zoek ging naar locaties in het groen waar men de zomer en perioden met feestdagen kon doorbrengen. Karakteristiek zijn dan ook de tuinen die vanaf de 17e eeuw overal in Nederland bij bestaande kastelen en nieuwe buitenhuizen werden aangelegd. Bij een deel van de oudere huizen gebeurde dat niet door beperkt gebruik of gebrek aan financiën, en in veel gevallen vervielen en verdwenen zij later.39Renes, 1988: 156; Jas e.a., 2013

Er zijn nu en in het verleden veel meer landgoederen en buitenplaatsen geweest dan we hier nu kunnen beschrijven. We hebben bij het opstellen van de typologie echter als criterium gesteld dat het landgoed of de buitenplaats een duidelijke landschappelijke voetafdruk moet hebben gehad, bijvoorbeeld in de vorm van een tuin of een park(bos). Wanneer we dat als criterium nemen, is het aantal landgoederen en buitenplaatsen veel geringer geweest. Gekarteerd hebben we bovendien steeds de buitenplaatskern van een landgoed: huis, tuin en park(bos). Het agrarisch cultuurlandschap is hier niet onder begrepen. Daarom spreken we in de namen van de typen ook steeds over buitenplaatsen, niet over landgoederen.