Met name tegen de zuidoostelijke en noordelijke gemeentegrenzen, de uiterste einden van de vroegere dorpsgebieden, lagen de heidevelden die na de verdeling van de marke tot landbouwgrond ontgonnen werden. Kenmerkend is vooral de rationele structuur, met nauwelijks oudere ontginningen daarin opgenomen. Die lagen immers dichter bij de nederzettingen, vooraan op de heide. Heidevelden met dergelijke oude kampjes hebben we onder ‘randzone van de heide’ (zie § 3.2.12) opgenomen. Weliswaar hebben we in de naam van dit type ‘met perceelsrandbeplanting’ opgenomen, maar de dichtheid daarvan was sterk wisselend. Op weinig plekken was er echt een dicht net aan houtsingels ontstaan. Binnen de ontginning ontstond na de markeverdeling geleidelijk een nieuw patroon aan erven, die op de oude gemeenschappen gericht blijven. Nergens was sprake van de ontwikkeling van nieuwe dorpen. Daarvoor waren zelfs gebieden als het Noordijkerveld of het Eibergse veld (figuur 3.37) te klein.

Kenmerkend voor dit landschapstype is de rationele structuur. Dat maakt ook dat het gebied relatief robuust gebleven is voor moderne ontwikkelingen. Met uitzondering van een beperkte opschaling en intensivering van het agrarisch landgebruik is het karakter van het gebied in een aantal gevallen goeddeels hetzelfde gebleven. Dat geldt bijvoorbeeld voor gebied tussen Berkel en Honesbos en het Noordijkerveld. In andere gevallen is de structuur veel meer aangetast, zoals het Beltrumse veld.