Tussen oudere ontginningen ontstonden vaak overhoekjes: kleine heideveldjes die na de verdeling van de marken ingevuld werden, meestal met een relatief onregelmatige structuur. Soms kwamen oude kampjes voor, en vaak werden bij de ontginning kleine bosjes aangelegd. De situering als overhoekje geeft ook het verschil aan met de randzones van de heide (zie § 3.2.10): er was niet zozeer sprake van de ligging op een gradiënt van oud cultuurland naar heide, maar van een ontgonnen heiderelict tussen andere ontginningen.

Landschappen van dit type, zoals het begrip ‘overhoekje’ al doet vermoeden vaak relatief kleine gebieden, liggen verspreid over de hele gemeente. Meestal is de hoofdstructuur nog wel te herkennen, maar zijn de details verdwenen. Het merendeel scoort dan ook in de middenmoot als het op gaafheid en waarde aankomt (figuur 3.38).