In de wet is beschreven welke kosten de gemeente moet of kan verhalen op de exploitanten. De kosten bestaan uit een aantal onderdelen:
Gebiedseigen kosten. Dit zijn kosten die louter en alleen voor een exploitatiegebied worden gemaakt. Het betreft de kosten die staan weergegeven op de zogenaamde kostensoortenlijst (art 6.2.3 tot en met 6.2.6 Bro). Feitelijk zijn dit de kosten voor het bouw- en woonrijp maken (door de ontwikkelaar of door de gemeente), de gemeentelijke plankosten (inclusief de kosten voor de planologische procedure) en eventueel de kosten voor de tegemoetkoming van planschade. De kosten kunnen eventueel ook buiten de grens van het exploitatiegebied gemaakt worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan compenserende milieumaatregelen.
Gebiedsoverstijgende kosten: Het gaat hierbij om kosten die van dienst zijn en/of betekenis hebben voor meerdere exploitatiegebieden en mogelijk ook dienstbaar zijn aan de bestaande kern. Het gaat hierbij om drie soorten gebiedsoverstijgende kosten:
Gebiedsoverstijgende bijdrage aan de grondexploitatie ook wel “bovenwijkse voorzieningen genoemd”. Dit zijn werken en maatregelen zoals gedefinieerd in de kostensoortenlijst (art 6.2.3 t/m 6.2.4 Bro) die niet alleen voor het specifieke exploitatiegebied betekenis hebben, maar ook voor andere nieuwe exploitatiegebieden en/of voor de bestaande stad. Het gaat om voorzieningen zoals omschreven in art 6.2.5 Bro ofwel fysieke ingrepen, activiteiten, werken zoals wegen riolering, parkeerplaatsen e.d. Dus geen stichtingskosten van gebouwen behoudens die voor openbaar vervoer of gebouwde parkeervoorzieningen.
Bovenplanse kosten. Het gaat hierbij om de mogelijkheid uit art 6.13.7 Wro om langs publiekrechtelijke weg tekorten en overschotten tussen exploitatiegebieden te verrekenen. Het is het verevenen tussen “zoet” en “zuur”. Tussen de gebieden dient dan wel enige functionele samenhang te zijn. Bijvoorbeeld doordat in een gebied meer sociale woningbouw gerealiseerd wordt dan een ander gebied. Of nieuwe bedrijventerreinen dienen bij te dragen aan verpauperde terreinen. Het gaat om een bijdrage aan het geheel en niet specifiek aan een infraproject. Op het moment dat deze kosten via een anterieure overeenkomst verhaald worden, dan worden ze een “bijdrage ruimtelijke ontwikkeling” (6.24 Wro) genoemd. Dit omdat in het private traject de PPT criteria (Profijt, Toerekenbaarheid en Proportionaliteit) niet van toepassing zijn.
Financiële bijdrage aan Ruimtelijke ontwikkelingen (RO bijdrage). In het anterieure spoor kan een gemeente op basis van art 6.24 Wro iets extra’s vragen bovenop de kostensoortenlijst. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een bijdrage in de stichtingskosten van een maatschappelijke of culturele instelling.
Voor de gemeente Druten ligt het voor de hand om in ieder geval de gebiedseigen kosten te verhalen en daar waar relevant een gebiedsoverstijgende bijdrage te vragen. De gemeente Druten heeft verder een ‘Nota Bovenwijkse voorzieningen’. Deze nota blijft van toepassing en zal worden toegepast naast het verhalen van de gebiedseigen kosten met daarbij de eventuele gebiedsoverstijgende bijdrage.