Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.5

4– Woongebieden.

Onderdeel van Welstandsnota 2010 gemeente Etten–Leur

Gebieden in hoofdlijnen. Vanaf de jaren '50 van de vorige eeuw tot op heden zijn rondom de historische dorpskernen woongebieden planmatig gerealiseerd in stedenbouwkundige patronen die kenmerkend zijn voor hun tijd. Het betreft hier woongebieden die meestal begrensd worden door oudere structuren. Er is door de opzet van elke wijk en de bebouwing die daarin voorkomt sprake van een herkenbaar tijdsbeeld. Op enkele plaatsen heeft al een herinvulling of inbreiding plaatsgevonden. Hierbij is steeds zoveel als mogelijk aansluiting gezocht op de bestaande structuren en karakteristiek. Incidenteel komen ook andere functies in de woongebieden voor. De aard van de bebouwing voegt zich over het algemeen in de woonomgeving. Het komt ook voor dat dergelijke gebouwen zich manifesteren als verbijzondering in het bebouwingsbeeld. Naast de overwegend planmatig gebouwde woningbouwcomplexen die een duidelijke eenduidigheid laten zien komen ook verspreid in de gebieden vrijstaande woningen voor die meestal individueel vormgegeven zijn. In het totale bebouwingsbeeld vormen zij geen echte uitzondering. In de beginperiode bestaat het stedenbouwkundige patroon uit rechte straten meestal orthogonaal georiënteerd. De bebouwing is geclusterd van opzet, waarbij meerdere woningen een eenheid vormen in architectuur en verkaveling. De woningen hebben meestal een voortuin en zijn met de voorzijde op de straat gericht. Het betreft hoofdzakelijk rijenwoning soms afgewisseld met twee–onder–1 kap en een enkele vrijstaande woning. De hoofdmassa is eenvoudig en doorgaans tweelaags afgedekt met een zadelkap. In de jaren ‘70 en begin ’80 is de hofjesstructuur geïntroduceerd waarbij rijenwoningen in vergelijkbare stempels zijn gebouwd rondom verkeersluwe hofjes. Kenmerkend in deze wijken is dat de woningen zich afkeren van de doorgaande straten. In veel gevallen is de achtertuin aan de straat gelegen. Ook hier is de hoofdvorm eenvoudig en tweelaags met zadelkap, evenwijdig aan het woningblok. Blokgeledingen en samengestelde bouwmassa’s waarbij bergingen zijn aangebouwd of zich bevinden onder een doorgetrokken dakvlak is kenmerkend. Aan het eind van de jaren ‘80 ontstaat een meer grillig stratenpatroon, de zgn. boomstructuur. Doorgaande gebogen routes waar de woonstraten al of niet doodlopend op aantakken. De woningen zijn met hun voorzijde weer gericht op de openbare ruimte. Dit kan de straat zijn maar ook openbaar groen. De diversiteit aan woonbebouwing neemt toe. Naast de blokjes rijenwoningen die in opzet bestaan uit twee bouwlagen met zadelkap evenwijdig aan de straat komen nu ook forse zadelkappen haaks op de weg voor en kappen die doorlopen tot aan de eerste bouwlaag. Op bepaalde straathoeken zijn woongebouwen of gestapelde woningen duidelijk aanwezig als onderdeel van de ruimtelijke structuur. De architectuur hiervan sluit aan op de aangrenzende woningen en vormt hiermee een eenheid. Begin jaren ‘90 vindt een omslag plaats in het ontwerp van nieuwe woongebieden. Deze nieuwe woongebieden worden stedenbouwkundig opgezet vanuit sterke structuurdragers zoals historische routes, zichtassen, duidelijke randen en groene ruimten. Deze opzet geeft een eigen identiteit aan het gebied. Er is weer een helder onderscheid tussen openbaar en particulier terrein. De openbare ruimte is een belangrijk deel geworden van de wijk en is veelal met zorg ontwikkeld. Er is veel aandacht voor de architectonische uitstraling. Architectuurthema’s krijgen een bewuste plek toegewezen. Materiaal en kleur zijn gebruikt als instrument om de woningen binnen een architectonisch cluster een eenheid te laten vormen. Vanwege de duidelijke omslag in de stedenbouw en bouwtraditie is het gewenst om een onderscheid te behouden tussen de tijdsperiode voor en na de jaren ’90 ofwel de traditionele blokverkaveling/forumbeweging en de thematische architectuur en stedenbouw. Bebouwing in hoofdlijnen. Traditionele blokverkaveling en forumbeweging. De architectuur van de woningen in deze woongebieden is in hoofdlijnen gebaseerd op herhaling van de individuele woning. De rijenwoningen hebben in het algemeen een eenvoudige opbouw bestaande uit meestal twee bouwlagen met een kap. De zadelkap is het meest voorkomend. De nokrichting kan evenwijdig of haaks op de straat zijn. Aanbouwen zijn ondergeschikte toevoegingen of juist deel van de hoofdbouwmassa. Dakopbouwen of dakverhogingen zijn in oorsprong per blok eenduidig. De vrijstaande woningen zijn op zichzelf staand en voegen zich door hun vorm, massa en typologie in het bestaande bebouwingsbeeld. Thematische architectuur en stedenbouw De thematisch gebouwde wijken worden gekenmerkt door extra aandacht voor de stedenbouwkundige opzet van buurten en wijken en de eigentijdse herinterpretatie van historische typologieën en bouwstijlen. Door de heldere opzet van de openbare ruimte, de grote variatie in woningtypen en de sterke samenhang van de bebouwing op straat– en blokniveau maar ook door het grote onderscheid tussen bouwblokken onderling, onderscheiden deze gebieden zich van de andere planmatige woningbouw. Kenmerkend is de clustering van bouwstijlen waardoor er een herkenbare ruimtelijke samenhang is. Detaillering, kleur en materiaal. Traditionele blokverkaveling en forumbeweging De detaillering is over het algemeen sober. De jaren ‘50 bebouwing kent een zorgvuldige detaillering, in de jaren daaropvolgend is er duidelijk minder aandacht voor dit aspect. Blokgeledingen en een sterke geleding in de gevel door middel van penanten of uitbouwen komt regelmatig voor. Baksteen in gedekte kleur is het belangrijkste materiaal voor de gevels. Ook komen in lichte kleur geschilderde gevels voor. Hellende daken zijn gedekt met pannen. Thematische architectuur en stedenbouw Er is weer aandacht voor de detaillering, afwisselende kleur en materiaaltoepassingen gerelateerd aan de architectuur. Dit geeft duidelijk ondersteuning aan de architectuur en het komt tevens de gewenste duurzaamheid van de beeldkwaliteit ten goede. De diversiteit van de materialen en kleuren waaruit de bebouwing is opgetrokken is groot. Architectuurtrends zijn waarneembaar. Waardering. Traditionele blokverkaveling en forumbeweging. Bij de traditionele blokverkaveling is vooral het overzichtelijke karakter met het rechtlijnige straatpatroon en het straatgericht wonen waardevol. Ook de eenheid in massa, vorm en kleur– materiaalgebruik levert een belangrijke bijdrage aan de kwaliteit. Door veranderingen en vernieuwingen kan een welkome variatie ontstaan tussen de bouwkundige eenheden waarmee het straatbeeld verlevendigd. De op zichzelf staande gebouwen en de vrijstaande woningen vormen een welkome afwisseling in het bebouwingsbeeld. De kwaliteit van de forumbeweging ligt in het andersgericht wonen. Er is een sterke eenheid in de massa van de bebouwing en vormgeving. Hierdoor straalt het woongebied een zekere mate van rust uit maar ook van monotonie. Veranderingen of vernieuwingen kunnen in deze zin een waardevolle betekenis hebben. Thematische architectuur en stedenbouw Het oorspronkelijke architectuurthema is nog duidelijk aanwezig. De waarde van de thematisch gebouwde wijken ligt vooral in de doordachte stedenbouwkundige opzet en de sterke variatie in architectuur. De uitgesproken architectuur van de bebouwing en de wijze waarop ingespeeld is op hoeken, zichtlijnen en beeldpunten is waardevol. Ook de clustering van bouwstijlen geeft een duidelijke ordening in het beeld. Welstandsniveau: regulier. Welstandscriteria 4– woongebieden. Bebouwing en omgeving. Waardevolle kenmerken van het woongebied blijven behouden. (Vervangende) nieuwbouw sluit aan op het bestaande verkaveling– en bebouwingspatroon. De ritmiek door herhaling van gelijkvormige bouwmassa’s blijft behouden. Op zichzelf staande bebouwing voegt zich in de omgeving. Hoofdgebouwen zijn met de voorgevel georiënteerd op het openbaar gebied. Bebouwing speelt in op de specifieke locatiekenmerken. Massa en vorm. De onderlinge samenhang en eenheid binnen een blok of eenheid blijft behouden. Een op zichzelf staand gebouw (vrijstaande woning of ander gebouw) is een architectonische eenheid. Bouwmassa’s hebben een heldere en eenvoudige opbouw. Bestaande kenmerkende geledingen binnen een blok rijenwoningen blijven behouden. De bestaande hoofdvorm van de bouwkundige eenheid in het straatbeeld blijft behouden. Toevoegingen zoals aanbouwen, erkers, dakkapellen, luifels en overkappingen aan de straatzijde zijn in architectuur verwant aan de architectuur van het hoofdgebouw. Dakopbouwen zijn per woningblok eenduidig en in vormgeving afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw. Afwijkende bebouwing is mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. Detaillering, materiaal– en kleurgebruik. Bij wijzigingen blijven de kenmerkende details van het hoofdgebouw behouden. Bij wijzigingen en toevoegingen aan de straatzijde is er aandacht voor details. Gevels zijn van baksteen. Gevelfragmenten, vullingen of verbijzonderingen kunnen in een ander materiaal of kleur zijn. De bestaande architectuur en materialisering zijn uitgangspunt voor het materiaalgebruik bij veranderingen, vernieuwingen of toevoegingen. Hellende daken zijn gedekt met pannen. Het kleurgebruik is terughoudend (geen felle kleuren). Afwijkingen ten aanzien van detaillering, kleur en materiaal zijn mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur.

Rechtspraak bij dit artikel