Landschap
Kiezen voor het Laanboomcentrum Betuwe als wereldspeler betekent ruimte geven aan economische ontwikkeling, binnen de vastgestelde contour. Daarvoor is schaalvergroting nodig. Het huidige productielandschap is in veel gevallen fijnmazig in het bestaande oeverwallenlandschap. Op sommige locaties zal onder voorwaarden een grootschaliger landschap kunnen ontstaan of nodig zijn. Hoe moeilijk ook, die keuze is nodig om de sector haar centrale rol te laten behouden. Een goed uitgerust productiegebied is voorwaarde voor vestiging van toeleverende en handelsbedrijven, voor kennisontwikkeling, hoogwaardige teelt en het verder ontwikkelen van duurzame producten. Niet kiezen of half kiezen betekent op termijn een verlies aan concurrentiekracht, en verlies van arbeidsplaatsen. Ook landschappelijk is niet kiezen geen optie - bij verlies van een adequate functie ontstaat verrommeling. Hierna is per type landschap een korte beschrijving gegeven. De relatie met de ontwikkelingsmogelijkheden voor de laanboomteelt is nader verwoordt in paragraaf 3.8.
Oeverwallen
Op de oeverwallen wordt het beeld nagestreefd van een kleinschalig gevarieerd landschap met grillige bebouwings- en kavelpatronen. Dit kleinschalige beeld wordt versterkt door de aanwezigheid van relatief veel beplanting langs de wegen, op de erven en in over-hoekjes. Ook de grote afwisseling in grondgebruik draagt bij aan de kleinschaligheid.
De aanwezigheid van de laanboomteeltbedrijven draagt bij aan het beeld van beslotenheid en kleinschaligheid en daarmee aan het gewenste beeld van de oeverwallen. Vanuit dit gewenste landschappelijke beeld is het dan ook noodzakelijk dat de laanboomteelt hier voldoende ontwikkelingsmogelijkheden behoudt, en dan vooral op de hogere oeverwallen. Op sommige plekken is versterking van de landschappelijke kwaliteit gewenst. Deze versterking kan worden gerealiseerd door een toename van opgaande beplanting (erfbeplanting, laanbeplanting) en een groene dooradering langs of tussen de agrarische percelen. Op de lagere oeverwallen is in delen van het plangebied (Overbetuwe en Buren) een combinatie van weide- en akkerbouw landschappelijk gezien het meest gewenst. Hiermee worden de overgangen naar het open komgebied ruimtelijk benadrukt.
Komgebieden
In de komgebieden bestaat het gewenste beeld uit het in stand houden en versterken van de openheid, grootschaligheid en kenmerkende weidebouw. De melkveehouderij is van belang voor het behouden van de openheid in het gebied. Het is dus ook vanuit landschappelijk oogpunt van belang om de melkveehouderij als vitale agrarische sector ontwikkelingsruimte te blijven bieden. Bovendien is vooral bij vitale bedrijven ruimte om te investeren in landschappelijke kwaliteit. Daarnaast blijft, door het stimuleren van weidevogelbeheer, de openheid behouden. Om de openheid te bewaren, kan in het komgebied geen uitbreiding plaatsvinden van laanboomteelt of andere teelten die het doorzicht belemmeren. In eerste instantie zijn de komgronden ook niet de beste gronden voor de laanboomteelt.
In de gemeente Neder-Betuwe, waar meer ruimte wordt gegeven voor de laanboomteeltontwikkeling, is gekozen het accent voor het behoud van de openheid te leggen op het door de provincie aangewezen weidevogelgebied, het Eldikse en Dodewaardse Veld. Het weidevogelgebied in het Eldikse en Dodewaardse Veld vormt het hart van het komgebied langs de A15 in contrast met de beslotenheid en kleinschaligheid van de oeverwal bij Ochten en Eldik in het zuiden en de oeverwal van Kesteren - Opheusden in het noorden. Uitbreiding van laanboomteelt, hoog opgaande beplanting of de realisatie van nieuwe erven met bebouwing is vanuit een landschappelijke visie hier niet wenselijk.
Uiterwaarden
De uiterwaarden van de Waal en de Nederrijn verschillen vooral van elkaar door hun maat en door de scheepvaartintensiteit op de rivier. Deze aspecten zijn bepalend voor de landschappelijke beleving. De ontwikkelingsrichting is echter nagenoeg gelijk, namelijk waterveiligheid, natuur en landschapsbeleving staan in de uiterwaarden voorop. Uitbreiding van laanboom-teelt, hoog opgaande beplanting of de realisatie van nieuwe erven met bebouwing vanuit een landschappelijke visie is hier vanuit de praktijk gezien niet mogelijk en wordt ook door Rijkswaterstaat niet toegestaan.
Linge
De Linge is in de verschillende landschapsontwikkeling plannen van de drie gemeenten als ruimtelijke en recreatieve structuurdrager aangewezen. De functie, waterafvoer van het plangebied, en de cultuurhistorische betekenis benadrukken deze positie van de Linge. Ingezet wordt op de aanleg van natuurvriendelijke oevers. Ook paden op de oever(s) en meer oversteekmogelijk-heden zijn gewenst, omdat hierdoor de beleefbaarheid van de Linge verbetert. De Linge is daarmee een belangrijk element in de recreatieve en landschappelijke dooradering van het plangebied.
Natuur
Wat betreft de bestaande natuur(gebieden) zijn het Natuurnetwerk Nederland (voormalige Ecologische Hoofdstructuur), het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone van belang. Het hoofddoel van het ruimtelijk beleid voor deze gebieden is het bijdragen aan een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurrijke cultuurlandschappen door bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere ruimtelijke waarden en kenmerken. Binnen de ecologische hoofdstructuur geldt de "nee, tenzij"- benadering. Dit houdt in dat bestemmingswijziging niet mogelijk is als daarmee de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant worden aangetast, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Er wordt naar gestreefd om deze gebieden goed toegankelijk te maken voor extensief recreatief medegebruik (wandelen en fietsen). Ze vormen daarmee een onderdeel van de recreatieve en landschappelijke dooradering van het laanboomteeltgebied.
Cultuurhistorie
Wat betreft het beleid inzake 'cultuurhistorie' is met name het behoud, het herstel en de verbetering van karakteristieke landschappelijke elementen en structuren van belang. De drie gemeenten kenmerken zich door een zeer karakteristieke en waardevolle landschapsstructuur. Een gedeelte van het plangebied (met name de gemeente Buren) is aangewezen als 'Nationaal Landschap'.
Ook vanuit cultuurhistorie is het zeer van belang dat de verschillende onderscheiden landschapstypen (kommen, oeverwallen en uiterwaarden) behouden blijven.
Daarnaast zijn ook de 'losse' cultuurhistorische objecten vanuit hun intrinsieke waarde vaak het behouden waard, maar ook vanwege hun attractieve waarde voor recreatie in het gebied. Het is van belang niet alleen de objecten zelf te behouden en te beschermen, maar ook de directe omgeving ervan, omdat het object en de omgeving vaak nauw met elkaar verbonden zijn. Dit kan betekenen dat laanboomteelt op of in de nabijheid van deze cultuurhistorische objecten niet gewenst is (bijvoorbeeld in het waardevolle open gebied), maar soms ook juist weer wel (versterking van het kleinschalig landschap). In het plangebied zijn de volgende objecten en gebieden het behouden waard:
landgoederen, kastelen en landhuizen;
cultuurhistorisch waardevolle steenfabrieken;
waaien (als gevolg van doorgebroken bandijken en liniedijken);
achter- en zijwendes;
waardevolle open gebieden;
waardevolle doorzichten;
cultuurhistorisch waardevolle gebieden (kleinschalig landschap oeverwallen).
Archeologie
Het binnendijkse landschap wordt gekenmerkt door een complex stelsel van voormalige rivierlopen van de Rijn die hier gedurende duizenden jaren actief zijn geweest. De riviersystemen bestonden uit een bundeling van langs de rivier ontwikkelde oeverwallen en de zandige bedding (samen aangeduid als stroomgordel). Deze vormen langgerekte, hoger gelegen zones door het overwegend natte rivierenlandschap. Tussen de stroomgordels en lager gelegen gebieden liggen de kommen, waarin zware klei werd afgezet. De kommen stonden gedurende grote delen van het jaar onder water. De hoger gelegen fossiele stroomgordels vormen over het algemeen gunstige locaties voor bewoning (hoge natuurlijke ligging, lage overstromingsfrequentie, aanwezigheid van restgeulen, natuurlijke transport- en verbindingsroutes). Ook de direct aan meander-gordels grenzende oeverzones (oeverwalcomplexen op kom-afzettingen) hebben gunstige fysische eigenschappen voor wat betreft bewonings-mogelijkheden, in tegenstelling tot de verder weg-gelegen oeverzones en de komgronden.
Gemeenten zijn gebonden aan het Verdrag van Malta, dat zegt dat zij de archeologische waarden in het plangebied zoveel mogelijk moeten beschermen. De wijze waarop deze waarden worden beschermd valt onder de gemeentelijke autonomie. De provincie en in minder mate de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, zien erop toe dat bij de vaststelling van het gemeentelijk archeologisch beleid in de bestemmingsplannen de zg. 'kernkwaliteiten' niet worden geschaad.
Omdat niet concreet wordt aangegeven wanneer de kernkwaliteiten in een bestemmingsplan worden geschaad, geeft dit mogelijkheden voor eigen invulling. Dit brengt voor diverse laanboomteeltbedrijven (mogelijk) een probleem met zich. Afhankelijk van het type bedrijf vindt een verstoring van de bodem plaats van maximaal 30 cm (spillenteelt) tot 80 cm (grotere bomen). Voor bestaande percelen die in gebruik zijn voor de laanboomteelt geldt in Neder-Betuwe en Overbetuwe dat voortzetting van het huidige gebruik mogelijk is zonder onderzoeksplicht.
In de gemeentelijke bestemmingsplannen is opgenomen dat afhankelijk van de mate van archeologische verwachting (en daarmee het hierbij gehanteerde oppervlaktecriterium), archeologisch onderzoek voor nieuwe percelen noodzakelijk is bij grondbewerkingen dieper dan 30 cm (via een omgevingsvergunning). In de praktijk kan dat echter zorgen voor vertragingen en onderzoekskosten. Deze onderzoeken zijn tijdrovend en kostbaar.
In Overbetuwe daarom een vrijstelling/ontheffing van archeologisch onderzoek voor nieuwe percelen mogelijk in overleg met de archeologisch medewerker. Archeologisch onderzoek is niet verplicht in het geval archeologisch medewerker dit niet nodig acht.
Vanuit archeologisch oogpunt is ook van belang dat de Limes (de grens van het voormalige Romeinse Rijk) zijn voorgedragen om opgenomen te worden op de Werelderfgoedlijst van Unesco. Mede daarom is (in de provinciale verordening) een brede strook aangegeven waar in het kader van de grondbewerking een nadere bescherming zou moeten gelden, omdat daar resten van de Limes gelegen kunnen zijn. Deze strook ligt langs de stroomgordels van de grote rivieren. Deze stroomgordels zijn echter ook erg geschikt en in trek voor de teelt van laanbomen: het zijn relatief zandige landbouwgronden met een hoge natuurlijke bodemvruchtbaarheid en een goede bewerkbaarheid.
Neder-Betuwe werkt mee aan de nominatie voordracht, maar is geen voorstander van het instellen van een Limeszone over nagenoeg de hele gemeente, zoals nu gebeurd is in de provinciale verordening1Ook Neder-Betuwe vindt dat de Limes beschermd moeten worden,maar ziet liever dat deze bescherming zich beperkt tot de terreinendie benoemd zullen worden in de Terreinencatalogus voor de WerelderfgoednominaƟe Romeinse Limes die momenteel wordt opgesteld.. Mocht deze zone worden gehandhaafd in de provinciale verordening, is het van belang te weten wanneer de kernkwaliteiten worden geschaad. Mede daarom heeft Neder-Betuwe meegedaan aan een proef van LTO en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) waarin onderzoek werd gedaan naar de mate van verstoring van de bodem door bepaalde teelten (bollenteelt, aspergeteelt, akkerbouw en laanboomteelt) en de effecten daarvan op de archeologische resten. Doel van dit onderzoek ("Mag het een onsje minder?") is te komen tot lagere onderzoekskosten voor de agrarische sector waar het gaat om archeologie, in ieder geval waar het gaat om bestaande percelen.
In overleg met de provincie, lokale archeologen (Historische kring), boom- en tuindersverenigingen en LTO zullen de resultaten van dit onderzoek verder worden uitgewerkt in een beleidsstuk, wat onder meer zal leiden tot een nieuwe archeologische beleidskaart. Opdracht voor het opstellen van dit nieuwe beleidsstuk zal begin 2015 worden verleend. Uitkomsten zullen worden gedeeld met de gemeenten Buren en Overbetuwe (zie ook Project 3).
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.3
LANDSCHAP, NATUUR EN CULTUURHISTORIE
Onderdeel van Intergemeentelijke Strategische Visie laanboomcentrum Betuwe