Zoals hierboven genoemd moet er een draagkrachtberekening worden gemaakt, wanneer een inkomen hoger is dan de gehanteerde inkomensgrens, inclusief eventuele toeslagen, met uitzondering van de bestanddelen van artikel 31 lid 2 Participatiewet. In artikel 31, lid 2 onder h Participatiewet staat vermeld dat ook het inkomen van die kinderen waarvoor er bijstand wordt aangevraagd tot de middelen moet worden gerekend.
Alle inkomensbestanddelen die de bijstandsnorm overschrijden worden in aanmerking genomen als draag-kracht, met uitzondering van:
de "vrijlating" voor een te ontvangen particuliere oudedagsvoorziening;
de in artikel 31 Participatiewet, lid 2 genoemde middelen (met uitzondering van h).
Draagkrachtpercentage
Voor de meeste kosten geldt een draagkracht percentage van 35%. Dit betekent dat van het berekende meerinkomen (het inkomen boven de grens van 120% van de geldende bijstandsnorm) 35% zelf moet worden bijgedragen aan de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.
Uitzonderingen hierop zijn bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering, mentorschap en curatele en voor woonkosten. Voor deze kosten geldt dat deze geacht worden uit bijstandsniveau te kunnen worden betaald. De geldende bijstandsnorm is de inkomensgrens en al het meerinkomen is draagkracht (100% inkomensgrens, 100% draagkracht). Ook de Pluspremie is een uitzondering, hiervoor gelden dezelfde voorwaarden als voor de individuele inkomenstoeslag, waarvoor een inkomensgrens van 110% geldt en geen draagkracht.5 NB: voor de individuele inkomenstoeslag en collectieve zorgverzekering gelden resp. 110% en 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als inkomensgrens en geen draagkracht. Deze worden hier echter niet genoemd omdat het geen vormen van individuele bijzondere bijstand zijn.
Niet kunnen beschikken over inkomen wegens beslag, WSNP of minnelijke schuldregeling.
Wanneer een inwoner (deels) niet kan beschikken over zijn inkomen omdat beslag is gelegd, hij deelneemt aan de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen of aan een minnelijke schuldregeling in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening dan wordt het deel van het inkomen dat onder de bovengenoemde regelingen valt niet in de draagkrachtberekening meegenomen.
Draagkrachtperiode
De periode, waarover de draagkracht wordt vastgesteld, begint op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend en wordt in beginsel vastgesteld voor een periode van 12 maanden. Als er periodieke bijzondere bijstand wordt toegekend, moet er een draagkrachtberekening worden gemaakt, vanaf het moment dat deze bijzondere bijstandsverlening ingaat. Na de periode van 12 maanden moet de draagkracht opnieuw vastgesteld worden.
In de volgende situaties kan worden afgeweken van de draagkrachtperiode van 12 maanden:
Op het moment dat iemand een wisselend inkomen heeft, kan er voor worden gekozen om maandelijks de draagkracht te berekenen, dan wel om aan het eind van de draagkrachtperiode een gemiddelde te nemen.
Op het moment dat iemand een deel van de draagkrachtperiode een bepaald bedrag heeft verdiend en een ander deel een ander bedrag, wordt het gemiddelde genomen.
Op het moment dat iemand, voor langere tijd, een forse daling of een forse stijging van inkomsten heeft, wordt de draagkrachtperiode vroegtijdig beëindigd en wordt een herberekening gedaan over de voorliggende periode.
Op het moment dat een inwoner bijzondere bijstand krijgt voor verschillende kostensoorten waarvoor verschillende draagkrachtpercentages gelden, kan de draagkracht op onderdelen tot eind van het betreffende kalenderjaar (31-12-20XX) worden berekend.
De vaststelling van de draagkracht op moment van aanvraag is de voorlopige draagkracht, definitieve vaststelling volgt na heronderzoek aan het einde van de vastgestelde periode.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.5
Draagkracht
Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand 2022, gemeente Koggenland