Bijstandsverlening kan op verschillende manieren plaatsvinden: in artikel 48 lid 1 van de Participatiewet is aangegeven dat bijstand ‘om niet’ wordt verleend tenzij in de wet anders is bepaald.
In het tweede lid van dit artikel is aangegeven dat bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, als:
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de aanvrager op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode alsnog in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;
de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;
de aanvraag een door de inwoner te betalen waarborgsom betreft;
de bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft.
Daarnaast is in artikel 51, lid 1 van de Participatiewet aangegeven dat bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag ‘om niet’.
Verstrekking als lening
Verstrekking in de vorm van een renteloze geldlening is alleen mogelijk wanneer:
het duurzaam noodzakelijke gebruiksgoederen betreft;
het niet de woninginrichting betreft als men voor de eerste maal zelfstandig gaat wonen;
men niet (voldoende) heeft kunnen reserveren (bijvoorbeeld bij echtscheiding, vestiging als statushouder of bij calamiteiten) voor de duurzame gebruiksgoederen.
In het geval dat de aanvrager vermogen heeft in een woning, die boven de vrijlating uitkomt, kan ook (bijzondere) bijstand worden verstrekt in de vorm van een geldlening onder verband van krediethypotheek.
Duur aflossing van de lening
Bij de verstrekking van leenbijstand wordt als uitgangspunt gehanteerd dat een cliënt gedurende 36 maanden aaneengesloten aflost op de lening. Hierbij gaat het om situaties waarbij een cliënt gedurende deze periode een bijstandsuitkering heeft ontvangen of een inkomen heeft ontvangen op bijstandsniveau.
Hoogte aflossing bij cliënten op bijstandsniveau
Het aflossingsbedrag van leningen bedraagt 5% van de uitkeringsnorm, inclusief vakantietoeslag.
Hoogte aflossing van cliënten met een regulier inkomen
Het aflossingsbedrag wordt vastgesteld op het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de voor betrokkene geldende bijstandsnorm minus 5% van die norm.
Als mensen een lening hebben, worden ze geacht 5% van de bijstandsnorm zelf te kunnen betalen aan aflossing (ze houden dan dus 95% over). Als ze (iets) meer verdienen dan de bijstandsnorm, rekenen we met alles dat boven de 95% zit voor het aflossingsbedrag.
De periode dat ze op 95% mogen zitten, is maximaal 36 maanden.
Bij de periode waarover wordt afgelost, wordt ook hierbij een onderscheid gemaakt tussen verwijtbare en niet-verwijtbare vorderingen. Dit regime is gerelateerd aan de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen: alle inkomsten boven de bijstandsnorm worden aangewend voor aflossing.
Verstrekkingen om niet
Bij het verstrekken van bijstand om niet kan een onderscheid worden gemaakt in incidentele bijzondere bijstand en periodieke bijzondere bijstand.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.6
Wijze van verstrekken
Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand 2022, gemeente Koggenland