Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.2

Artikel 2.2.2

Didam Arrest

Onderdeel van Huurbeleid vastgoed

Uit het Didam-arrest (Hoge Raad, 26 november 2021) volgt dat een overheidslichaam zich ook in privaatrechtelijke verhoudingen op grond van de wet moet houden aan geschreven en ongeschreven regels van het publiekrecht, zoals bijvoorbeeld het gelijkheidsbeginsel. Uit het gelijkheidsbeginsel vloeit voort dat een overheidslichaam dat een onroerende zaak wil verkopen of verhuren, gelegenheid moet bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen. Indien er meerdere gegadigden zijn, dan zal het overheidslichaam een selectieprocedure moeten doorlopen. De selectieprocedure hoeft niet te worden doorlopen indien al vaststaat dat er maar één serieuze gegadigde is voor het kopen van de desbetreffende grond. Het voornemen tot verkoop moet dan wel tijdig voorafgaand aan de koop bekend worden gemaakt bij eenieder. Daarnaast dient te worden gemotiveerd waarom slechts sprake is van slechts één serieuze gegadigde. De gemeente West Betuwe zal bij het toewijzen van een gebouw een standaard stappenplan volgen waarbij rekening is gehouden met de impact van het Didam arrest.

Rechtspraak bij dit artikel