De verrekening vindt niet van rechtswege plaats. De ontvanger bepaalt of al dan niet tot verrekening

wordt overgegaan.

Als de belastingschuldige de ontvanger verzoekt een bepaalde belastingteruggaaf of een ander uit

te betalen bedrag met een bepaalde openstaande aanslag of andere vordering te verrekenen, dan

willigt de ontvanger dit verzoek altijd in, tenzij het niet mogelijk is de vordering te

verrekenen en/of het verzoek dusdanige administratieve rompslomp met zich meebrengt dat de

ontvanger een andere betaalwijze aan de belastingschuldige voorstelt.

Dit geldt ook als het verzoek wordt gedaan nog voordat de teruggaaf is geformaliseerd of het uit te

betalen bedrag is vastgesteld. In dat geval schort de ontvanger de invordering echter niet zonder

meer op. Zo nodig kan de belastingschuldige om uitstel van betaling in verband met de te

verwachten teruggaaf respectievelijk het te verwachten uit te betalen bedrag verzoeken (zie artikel

25.3 van deze leidraad).