Met in achtneming van het bepaalde in de APV, het bepaalde in artikel 4 en het bepaalde in de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur (Bibob), vindt intrekking van de op grond van de APV verleende exploitatievergunning van de coffeeshop plaats indien redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat degene die de feitelijke leiding heeft in de coffeeshop direct of indirect betrokken is bij activiteiten genoemd onder artikel 3 lid 1 sub c. (handel harddrugs) en l. (criminele activiteiten);
Intrekking van de in het eerste lid genoemde vergunning vindt tevens plaats indien binnen 2 jaar na een 2e overtreding redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er sprake is van herhaling van het gestelde onder a. (verkoop aan niet-ingezetenen), b. (affichering), d. (overlast), e. (aanwezigheid minderjarigen), f. (verkoop >5g per keer), g. (handelsvoorraad >500g), h. (verkoop alcoholhoudende dranken), i. (overtreding sluitingsuur), j. (geen leidinggevende aanwezig), k. (verkoop softdrugs op de openbare weg in relatie tot de coffeeshops),
Intrekking van de in het eerste lid genoemde vergunning vindt ook plaats indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er sprake is van (hernieuwde) verkoop van softdrugs vanuit een ander horecabedrijf dan vanuit één van de bestaande coffeeshops.
Paragraaf 2
Artikel 5
Intrekking exploitatievergunning van een coffeeshop
Onderdeel van Beleidsregels voor handhaving artikel 13b Opiumwet bij woningen, lokalen en coffeeshops