Naar hoofdinhoud

Artikel 3.

Standplaatsen

Onderdeel van Nota standplaatsen 2023

Dit beleid heeft betrekking op standplaatsen zoals bedoeld in artikel 5:17 van de APV. Het begrip standplaats is hier als volgt gedefinieerd: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een `mobiel kraam, een tafel of een wagen. Uitdrukkelijk is deze beleidslijn niet van toepassing op: standplaatsen die worden ingenomen bij festiviteiten en evenementen. Dergelijke verzoeken worden beoordeeld in het kader van de hiervoor benodigde evenementenvergunning; standplaatsen op de reguliere warenmarkten; ‘vaste’, permanente frituurkramen; kermissen; verkooppunten ‘bij de boer’ (agrarische en streekproducten rechtstreeks aan de consument bij het eigen bedrijf vanuit een kast of mobiele voorziening op het erf). Voorwaarde hierbij is bovendien dat de verkoopplek zich geheel op eigen terrein bevindt en er slechts producten worden verkocht die op de betreffende boerderij worden geteeld/gemaakt. Er wordt een onderscheid gemaakt in de volgende categorieën standplaatsen: *Vaste standplaats Dit is een standplaats die tenminste een vaste dag per week op een vaste locatie wordt ingenomen gedurende meer dan 6 maanden per jaar met een vaste frequentie. De aanvraag voor een vaste standplaats kan worden gedaan voor een periode van maximaal vijf jaren. Automatische verlenging zoals tot nu toe gebruikelijk was, is nu verleden tijd. Dit is een gevolg van de werking van de Europese Dienstenrichtlijn. Een termijn van vijf jaar wordt algemeen acceptabel geacht in verband met de terugverdientijd van de ondernemer voor de investeringen die hij in zijn standplaats heeft gedaan. *Seizoenstandplaats Onder deze categorie vallen standplaatsen die worden ingenomen voor een bepaalde tijd op een vaste plaats, met een minimum van een maand en een maximum van zes maanden gedurende een of meerdere dagen per week (o.a. seizoensgebonden handel zoals oliebollenkraam, verkoop kerstbomen, ijs, e.d.). *Dagstandplaats Van een dagstandplaats is sprake bij een beoogd gebruik van ten hoogste tien dagen door dezelfde vergunninghouder per kalenderjaar. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om zowel commerciële (autoruitreparaties e.d.) als ideële standplaatsen (fondswerving, politieke doeleinden, goede doelen). Het maximum van tien dagen is bedoeld om te voorkomen dat handelaren die niet in aanmerking komen voor een permanente of seizoenstandplaats, dit door een herhaalde aanvraag voor een incidentele plek alsnog weten te bereiken. Persoonlijke vergunning Een standplaatsvergunning is een persoonsgebonden vergunning en is daarom niet overdraagbaar/verhandelbaar en kan niet worden doorgegeven. Het persoonlijke karakter van de vergunning betekent ook dat de standplaats persoonlijk door de vergunninghouder moet worden ingenomen.. De vergunninghouder kan op de vergunning één vervanger opnemen die in voorkomende gevallen zijn zaken waarneemt. In geval van bijvoorbeeld ziekte is de continuïteit van de standplaats hiermee gewaarborgd. De verplichting tot het persoonlijk innemen geldt niet voor dagstandplaatsen. Standplaatsen op particuliere grond Het vergunningstelsel van artikel 5:18 APV is ook van toepassing op standplaatsen die op particuliere grond worden ingenomen (voor zover geen boerderijverkooppunten, zie hiervoor). Daarin is bepaald dat het rechthebbenden op een perceel niet is toegestaan toe te laten dat daarop zonder vergunning van het college een standplaats wordt ingenomen. Bij een dergelijke aanvraag zal een verklaring van de grondeigenaar moeten worden overgelegd waaruit blijkt dat hij met het verzoek instemt. De hierna te noemen criteria zijn eveneens van toepassing op particuliere percelen. In deze gevallen kan uiteraard geen precariorecht worden geheven, maar zullen wel leges in rekening worden gebracht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel