Naar hoofdinhoud
Het college berekent het maximale subsidiebedrag per peuter of doelgroeppeuter voor de subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel 4 lid 1 naar rato van de plaatsingsperiode. Dit doet het college als volgt: peuterplaats: peutertoeslag – ouderbijdrage VVE-peuterplaats: peutertoeslag - ouderbijdrage + VVE-maandbedrag als bedoeld in artikel 5 lid 1 onder c + lokaal subsidie voor tutoring, als bedoeld in artikel 5 lid 2, als bedoeld in artikel 5 lid 2 Peutertoeslag per (VVE-)peuterplaats: aantal contracturen per jaar van (VVE-)peuters van ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag, met inachtneming van artikel 4, x landelijk maximum uurtarief waarbij: het door houder gehanteerde uurtarief van toepassing is als dit lager is dan het maximum uurtarief voor dagopvang/kinderopvangtoeslag Ouderbijdrage peuterplaats: som van de door houder gefactureerde individuele ouderbijdrage per jaar van ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag / aantal geplaatste peuters en doelgroeppeuters per jaar waarbij: ouderbijdrage: vastgestelde inkomensafhankelijke ouderbijdrage per uur x aantal contracturen per jaar Ouderbijdrage VVE-peuterplaats: som van de door houder gefactureerde individuele ouderbijdrage per jaar van ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag / aantal geplaatste doelgroeppeuters per jaar over 660 uur per anderhalf jaar Compensatie extra uren VVE-aanbod: minimaal 300 en maximaal 330 uur x landelijk maximum uurtarief over anderhalf jaar waarbij houder: 300 uur berekent bij totale plaatsing van 960 uur, en 330 uur bij plaatsing van 990 uur, en het gehanteerde uurtarief toepast als dit lager is dan het maximum uurtarief voor dagopvang/kinderopvangtoeslag VVE - maandbedrag: aantal geplaatste doelgroeppeuters op een VVE-peuterplaats per jaar x VVE-maandbedrag door houder toegepast op doelgroeppeuters vanaf de leeftijd van 2,5 jaar

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel