Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6 › Paragraaf 6.2

Artikel 6.2.2

GEVALLEN VAN NIET-ERNSTIGE BODEMVERONTREINIGING

Onderdeel van Nota bodembeheer regio MARN

Als de bodem op een locatie is verontreinigd, maar het betreft geen geval van ernstige bodemverontreiniging, hoeft niet te worden bepaald of er met spoed dient te worden gesaneerd. Verbeteren van de bodemkwaliteit kan niet worden voorgeschreven op grond van de Wet bodembescherming. Er is immers geen sprake van een potentieel risico dat een dergelijke verplichting rechtvaardigt. In bepaalde situaties kan op basis van andere wet- en regelgeving sanering wel noodzakelijk zijn. Hierbij moet worden gedacht aan sanering van tanks, bouwen op verontreinigde grond of hergebruik van grond. Ook is het mogelijk de grond op eigen initiatief en vrijwillig te saneren. De gemeente is bij deze gevallen het bevoegd gezag. Als een geval van niet-ernstige bodemverontreiniging wordt gesaneerd, geldt dezelfde werkwijze als voor een geval van ernstige bodemverontreiniging. Als bodemgevoelige locaties wijzen de gemeenten kinderspeelplaatsen, kinderdagverblijven, basisscholen en volkstuinen met een oppervlakte >200m2 aan. De maximaal toelaatbare kwaliteit wordt bepaald door de interventiewaarden uit de Wet bodembescherming. De gemeenten hebben gekozen om deze waarden voor lood te verlagen op bodemgevoelige locaties. De maximale toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood per gebruiksfunctie is opgenomen in de onderstaande tabel. Deze waarde is bepaald als gemeten gehalte, niet gecorrigeerd voor standaardbodem. De waarden in de tabel gelden voor deze functies ook als de terugsaneerwaarden voor lood. Tabel Maximale toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood. Gebruiksfunctie Waarde (in mg/kg ds) Moestuin >200m2 260 Plaatsen waar kinderen spelen 370 Eisen aan bodemonderzoek Het bodemonderzoek mag niet ouder zijn dan 5 jaar. In situaties dat binnen de onderzochte locatie tussentijds grondwerkzaamheden in de bodem hebben plaatsgevonden, er aanwijzingen zijn voor nieuwe verontreinigingen of er sprake is van mobiele verontreinigingen, hanteert de gemeente een kortere geldigheidsduur (maatwerk). De verontreiniging moet zodanig zijn afgeperkt dat uitgesloten kan worden dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Bodemonderzoek van ná 1 juli 2008 moeten voldoen aan de BRL-2000. De instantie die het onderzoek heeft uitgevoerd, moet in het kader van de Kwalibo-regeling erkend zijn door Agentschap NL (voorheen SenterNovem/Bodemplus). Wanneer er een bodemonderzoek aan de gemeente wordt overhandigd moet ook een xml-bestand worden toegevoegd wat voldoet aan de meest actuele versie van de SIKB0101 standaard en de Basisdataset onderzoeksgegevens. Eisen aan melding voorafgaand aan sanering Minimaal 6 weken voorafgaand aan de sanering meldt de initiatiefnemer de voorgenomen werkzaamheden bij de gemeente. De melding gebeurt via een plan van aanpak. Hierbij willen de gemeenten een kadastrale kaart met de contouren van de gebruiksbeperkingen ontvangen. De gemeente heeft 6 weken om de melding te toetsen en geeft schriftelijke reactie. Eisen aan uitvoering De sanering van niet-ernstige gevallen valt niet onder de Kwalibo regelgeving. Dat betekent dat de aannemer en de milieukundige begeleiding niet gecertificeerd hoeven te zijn voor de BRL-7000 respectievelijk BRL-6000. Dit wordt echter wel sterk aanbevolen. Aangezien de gemeenten in de MARN-regio een voorbeeldfunctie hebben, zullen zij voor gemeentelijke saneringen altijd gebruik maken van conform BRL 6000 en BRL 7000 erkende bedrijven. De gemeente hanteert bij het saneren van niet-ernstige gevallen de vastgestelde gebiedseigen bodemkwaliteit als terugsaneerwaarde (zie § 4.5.4.) of de maximale toelaatbare kwaliteit voor lood (zie bovenstaande tabel). Eisen aan het evaluatieverslag Binnen 6 weken na afronding van de sanering overhandigt de initiatiefnemer een evaluatieverslag aan de gemeente. De gemeente heeft 6 weken om het evaluatieverslag te beoordelen en geeft schriftelijke reactie.

Rechtspraak bij dit artikel