Als gemeente hebben we een zorgplicht voor afvloeiend hemelwater om overlast te beperken en/of voorkomen.
Gemeentelijke zorgplicht hemelwater (taak onder de Omgevingswet, inspanningsverplichting)
De doelmatige inzameling van afvloeiend hemelwater, voor zover de houder het afvloeiend hemelwater redelijkerwijs niet op of in de bodem of een oppervlaktewaterlichaam kan brengen, en het transport en de verwerking daarvan.
Om goed invulling te kunnen geven aan de hemelwatertaak richten we ons op het volgende:
Hemelwater zamelen we in als dat doelmatig is.
Bij transport en verwerking van hemelwater proberen we overlast te voorkomen.
a)Hemelwater zamelen we in als dat doelmatig is
De voorkeursvolgorde die we bij hanteren bij de verwerking van hemelwater is:
vasthouden, infiltreren en bergen, afvoeren. Zo willen we beter aansluiten bij de natuurlijke kringloop van het water. Bovendien helpt dit om onze gemeente meer klimaatadaptief te maken. We kunnen op deze manier extreme buien beter opvangen en droogte tegengaan.
Tot voor kort zamelden we met riolering veelal al het hemelwater in dat vanaf verhard oppervlak tot afstroming komt; van zowel openbaar als van particulier terrein. Dit heeft echter als nadeel dat dit bij hevige regen kan leiden tot overbelasting van het riool. Daarnaast wordt met riolering hemelwater versneld afgevoerd uit de omgeving waardoor in droge periodes minder hemelwater beschikbaar is om droogte tegen te gaan.
Bij reconstructies en nieuwbouw gaan we de openbare ruimte zo inrichten dat hemelwater zoveel mogelijk kan worden vastgehouden daar waar het valt (meer groen) en de bodem kan inzijgen. Door de bodemgesteldheid en hoge grondwaterstanden in onze gemeente moeten we echter wel accepteren dat we geen grote hoeveelheden hemelwater kunnen infiltreren in de bodem. Hemelwater wat we niet kunnen vasthouden en infiltreren voeren we met openbare hemelwaterriolering, indien mogelijk vertraagd, af naar oppervlaktewater. We leggen geen nieuwe gemengde riolering meer aan.
Bij bedrijventerreinen of andere locaties waar verontreiniging van het hemelwater een risico vormt voor de waterkwaliteit, overleggen we met het waterschap of het hemelwater ongezuiverd in het oppervlaktewater geloosd kan worden, of dat een deel van het hemelwater naar de RWZI verpompt moet worden.
Met een andere manier van omgang met hemelwater in het openbare gebied, maar ook met hemelwater van ons gemeentelijk vastgoed, willen we een goed voorbeeld geven voor onze inwoners.
Wat betreft de inzameling van hemelwater van particulieren volgen we de landelijke wetgeving. De verantwoordelijk- heid voor de verwerking van hemelwater van particuliere percelen, alsmede het voorkomen van overlast en schade, ligt primair bij de eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt. Pas als deze het hemelwater niet redelijker- wijs zelf kan afvoeren, mag het hemelwater geloosd worden op het openbare gebied of in het openbare riool.
De perceeleigenaar moet daarvoor zelf de benodigde voorzieningen op het eigen terrein aanleggen (bijvoorbeeld een pomp indien afvoer onder vrijverval niet mogelijk is door een lage ligging van het perceel/pand). Daarnaast moeten eigenaren van lager gelegen erven volgens het Burgerlijk Wetboek het water ontvangen dat van nature van hoger gelegen erven afloopt.
Daar waar we het hemelwater van particulieren nu nog inzamelen, blijven we dit doen. Afhankelijk van de situatie (bestaande bouw, herbouw, nieuwbouw) gaan we wel stimuleren of verplichten om hemelwater af te koppelen
en/of te vergroenen. In de basis gaan we uit van stimuleren en vrijwilligheid. Indien dit niet voldoende resultaat oplevert, kunnen we overwegen door middel van regels in het Omgevingsplan voor specifieke gebieden te verplichten hemelwater op particulier terrein op te vangen en niet langer in te zamelen met riolering. Hierbij kijken we altijd of dit redelijkerwijs mogelijk is. Stimuleren en verplichten komt nader aan bod in paragraaf 3.3 “Klimaat- adaptieve inrichting in de kernen”.
b)Bij transport en verwerking van hemelwater proberen we overlast te voorkomen
Als we hemelwater inzamelen, hebben we ook de zorgplicht voor verdere verwerking, inclusief de lozing in de bodem of op het oppervlaktewater. Het is niet te voorkomen dat soms water op straat optreedt ten gevolge van hevige regen, vooral niet met de verandering van het klimaat en de toename van het aantal zware buien. Ten aanzien van water op straat maken we onderscheid in hinder, overlast en schade:
hinder: kortdurend water op straat van enige omvang;
overlast: forse hoeveelheden water op straat en stremming van verkeer;
schade: water op straat van een dusdanige omvang dat er schade aan eigendommen optreedt en/of essentiële gebruiksfuncties uitvallen.
We accepteren dat er soms hinder optreedt, beperken overlast en proberen schade te voorkomen. De frequentie en mate van de overlast en eventuele schade bepaalt of en welke maatregelen we nemen.
Van oudsher accepteren we niet vaker dan eens per twee jaar hinder door water op straat vanuit het riool. In het GRP 2017-2021 was dit vertaald in de eis dat het rioolstelsel voldoende afvoercapaciteit heeft om een hoeveelheid neerslag van 20 mm in 1 uur te kunnen verwerken zonder dat dit leidt tot water op straat. Dit betreft bui08 uit de Kennisbank Stedelijk Water. Bui08 is eind 20e eeuw gebaseerd op neerslagstatistieken van het klimaat van destijds. Door klimaatverandering valt bij een bui met een herhalingstijd van twee jaar tegenwoordig meer neerslag. In de Kennisbank stedelijk water van Stichting Rioned zijn daarom sinds kort nieuwe buien opgenomen, zogenaamde composietbuien. Deze zijn gebaseerd op het hedendaagse klimaat. Een toelichting hierop staat in bijlage 2. Het streven is ons veiligheidsniveau, de kans op hinder door water op straat, te handhaven op eens per twee jaar (T=2). Dit betekent dat we onze riolering moeten gaan dimensioneren op de nieuwe, zwaardere, composietbuien.
Hieronder is beschreven hoe we hier rekening mee houden. Deze normen zijn van toepassing op de capaciteit van ons ondergrondse systeem om de kans op hinder onder normale omstandigheden te bepalen. Bij zwaardere buien proberen we overlast en schade te beperken door het klimaatadaptief inrichten van de bovengrondse openbare ruimte. Hierover meer onder paragraaf 3.3 “Klimaatadaptieve inrichting in de kernen”.
Bestaande rioolstelsels moeten bui08 kunnen verwerken
Voor bestaande gemengde rioolstelsels en hemelwaterstelsels handhaven we de eis dat het rioolstelsel voldoende afvoercapaciteit heeft om een hoeveelheid neerslag van 20 mm in 1 uur te kunnen verwerken zonder dat dit leidt tot water op straat, uitgaande van het aanlegpeil van de weg. Onze huidige riolering voldoet op de meeste
plekken aan deze norm. Dit blijkt ook uit de evaluatie van de afgelopen planperiode, er was weinig hinder door water op straat.
Daar waar wel hinder optreedt door water op straat, komt dit vaak door een verzakt openbaar gebied. Daarom wordt verzakt openbaar gebied periodiek opgehoogd op basis van de herstraatcyclus.
Ter plaatse van laag gelegen niet-onderheide panden vergt het maatwerk om te proberen overlast te beperken, zowel in openbaar gebied als op particulier terrein. Maatregelen op particulier terrein zijn de verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar, zoals het op hoogte houden van het perceel en/of pand.
Nieuwe rioolstelsels moeten composietbui T=2, klimaatscenario 2030 hoog, kunnen verwerken
Nieuwe riolering die wordt aangelegd bij rioolvervanging of nieuwbouw moet composietbui T=2, klimaatscenario 2030 Hoog kunnen verwerken zonder dat dit leidt tot water op straat, uitgaande van het aanlegpeil van de weg.
Dit is een bui die volgens de statistiek in 2030 eens in de twee jaar optreedt bij het scenario met de grootste klimaatverandering. Het is niet mogelijk om door de reconstructie van enkele rioolstrengen in een bestaand stelsel ineens voor het volledige stelsel te voldoen aan de nieuwe norm. Daarom zal dit stapsgewijs gaan en streven we er naar om door middel van aanpassingen bij reconstructies toe te werken naar het voldoen aan deze norm in de toekomst.
Afbeelding 3-3. Laag gelegen woningen in Schoonhoven
De Kennisbank van Stichting Rioned bevat ook al composietbuien voor 2050 voor de klimaatscenario’s Laag en Hoog. Het doel is in 2050 klimaatadaptief ingericht te zijn, waarom kiezen we dan voor de composietbui T=2 voor het klimaatscenario 2030 Hoog? Deze bui is iets zwaarder dan de buien voor de klimaatscenario’s 2050 Laag T=2 en 2050 Hoog T=1. Als het scenario Laag uitkomt in 2050, voldoen we met onze huidige keuze dus nog steeds aan het huidige veiligheidsniveau van eens per twee jaar hinder door water op straat. Als het scenario Hoog uitkomt in 2050, wordt de kans op hinder door water op straat groter en neemt toe naar eens per één tot twee jaar.
Het klimaat verandert ook nog na 2050. Riolen die de komende jaren vervangen worden, gaan tot ver na 2050 mee. Daarom is het van belang om nu ook al verder te kijken dan 2050. Ook de composietbui T=2, klimaatscenario 2085 Laag, is iets minder zwaar dan de gekozen nieuwe normbui. Als het klimaatscenario Laag uitkomt in 2085, blijft ons veiligheidsniveau dus ook gehandhaafd op eens per twee jaar water op straat in 2085. Als het ongunstigste scenario uitkomt in 2085, neemt de kans op hinder door water op straat toe naar circa eens per jaar.
Als we in de loop van de jaren de regenwaterbelasting op de riolering lager maken (vergroenen, water meer vasthou- den) dan waar de riolering op is gedimensioneerd, ontstaat overcapaciteit ten opzichte van de norm gestoeld op het scenario 2030 Hoog. Het is dan mogelijk dat de riolering ook in 2050 en 2080 bij het klimaatscenario Hoog in staat is om een bui T=2 te verwerken zonder dat hinder ontstaat door water op straat.
Om er bij uitbreidingsplannen voor te zorgen dat de systemen niet te krap gedimensioneerd wordt, hanteren we bij het ontwerp van uitbreidingsplannen de volgende percentages verhard oppervlak (dak plus overige verharding) voor uitgeefbare grond:
Woonwijken:
80% verhard bij percelen tot 250 m²;
65% verhard bij percelen tussen 250 en 600 m²;
werkelijk verhard oppervlak met een minimum van 400 m² voor percelen groter dan 600 m².
Bedrijventerreinen:
100% verhard ongeacht kavelgrootte.
Deze uitgangspunten borgen we in de overeenkomst met de ontwikkelende partij.
Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.1
Artikel 3.1.2
Inzameling en verwerking van hemelwater
Onderdeel van Programma Riolering en Klimaatadaptatie 2023-2027