1.Waarom beleidsregels voor het intrekken van vergunningen?
Niet in alle gevallen wordt direct gebruik gemaakt van een verleende omgevingsvergunning, omdat daartoe het geld of de tijd ontbreekt bij de initiatiefnemer. Daarnaast komt het voor dat de werkzaamheden om wat voor reden dan ook geruime tijd stilliggen. In de loop der tijd kan dan ook de situatie ontstaan dat bouwplannen niet meer voldoen aan de huidige eisen voor onder meer brand- en constructieve veiligheid uit het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De vergunning is verleend op de ten tijde van vergunningverlening geldende eisen. Deze kunnen na verloop van tijd verouderd of aangescherpt zijn. Ook vanuit planologisch oogpunt kunnen bouwplannen 'verouderd' raken, omdat deze niet langer voldoen aan een goede ruimtelijke ordening.
Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (en straks onder de Omgevingswet) bestaat de mogelijkheid omgevingsvergunningen in te trekken als daar geen of niet langer gebruik van wordt gemaakt. Om op een actieve en structurele wijze invulling te geven aan deze mogelijkheid, is het aan te raden beleidsregels op te stellen. Hiermee wordt tegelijkertijd rechtszekerheid en rechtsgelijkheid gecreëerd, omdat elke vergunninghouder weet wanneer een niet uitgevoerde omgevingsvergunning door het college wordt ingetrokken.
Een bijkomend effect van het intrekken van omgevingsvergunningen voor de activiteit 'bouwen van een bouwwerk' is een actuele Basisadministratie Adressen en Gebouwen (verder te noemen BAG). Vanaf het moment dat de omgevingsvergunning is verleend, worden de voorlopige gegevens (zoals het huisnummer, het bouwjaar, het gebruiksdoel, de gebruiksoppervlakte en de geometrie) vastgelegd in de BAG. Wanneer een omgevingsvergunning niet wordt geëffectueerd, is het dan ook wenselijk om de eerder opgenomen voorlopige gegevens van de verleende vergunning uit de BAG te verwijderen of aan te passen.
2.Juridisch kader
Per 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. De regels rond het intrekken van vergunningen veranderen dan iets. Deze beleidsregels houden rekening met de termijnen zoals genoemd in de Omgevingswet. Maar eerst wordt het huidige wettelijk kader geschetst.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Het intrekken van vergunningen wordt geregeld in artikel 2.33 Wabo. In het 1e lid van dit artikel staan gevallen benoemd waarin het bevoegd gezag de omgevingsvergunning moet intrekken. In lid 2 staan gevallen benoemd waarin het bevoegd gezag de omgevingsvergunning kan intrekken. In de gevallen van het tweede lid is er dus geen sprake van een verplichting maar van een keuze. De meest voorkomende gevallen van intrekking van vergunningen op basis van dit lid zijn lid 2 sub a en lid 2 sub b.
Op grond van artikel 2.33, lid 2 sub a, Wabo, kan de gemeente de vergunning intrekken als er geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. De termijn waarbinnen een vergunninghouder gebruik moet hebben gemaakt van de vergunning verschilt en is afhankelijk van het soort vergunning dat is verleend. De termijnen zijn respectievelijk 3 jaar, 26 weken bij vergunning voor het bouwen van een bouwwerk, uitvoeren van een werk en slopen van een bouwwerk) dan wel de in de vergunning bepaalde termijn.
Op basis van artikel 2.33 lid 2 sub b Wabo, kan de vergunning worden ingetrokken wanneer de vergunninghouder daarom heeft verzocht.
Omgevingswet
Per 1 januari 2024 zal de omgevingswet in werking treden. Artikel 5.40 van de Omgevingswet regelt het intrekken van omgevingsvergunningen. Voor het kader van deze beleidsregels is artikel 5.40 lid 2 onder b van belang. Dit lid regelt dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan intrekken als gedurende één jaar, of een in de vergunning bepaalde langere termijn, geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.
Deze beleidsregels richten zich op gevallen uit artikel 2.33 lid 2 sub a van de Wabo en vanaf 1 januari 2024 artikel 5.40 lid 2 onder b van de Omgevingswet maar laten onverlet dat het bevoegd gezag van alle overige intrekkingsmogelijkheden gebruik kan maken indien dit nodig is.
Bevoegdheid opstellen beleidsregels
Artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een bestuursorgaan beleidsregels kan vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijke uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid. Onder beleidsregel wordt ingevolge artikel 1:3, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht verstaan een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.
3.Beleidsregels
Begripsbepalingen
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
- - Aanvang bouwwerkzaamheden: het daadwerkelijk starten van de (grond)werkzaamheden ten behoeve van het uiteindelijk te bouwen bouwwerk (zoals het heien van palen et cetera). Sloopwerkzaamheden vallen hier in beginsel niet onder;
- - Belanghebbenden: degenen wiens belangen rechtstreeks bij een besluit zijn betrokken, zoals bedoeld in artikel 1:2 Algemene wet bestuursrecht;
- - Vergunninghouder: de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de vergunning is verleend, dan wel degene voor wie de vergunning is gaan gelden na het doen van een melding zoals bedoeld in artikel 2.25 lid 2 van de Wabo/ artikel 5.37 Omgevingswet;
- - Intrekken: het geheel of gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen van een bouwwerk' (artikel 2.1 lid 1 onder a Wabo)/ voor de activiteit ‘bouwen' (technische bouwactiviteit) en/of omgevingsplan activiteit betreffende het bouwen/ oprichten van een bouwwerk als bedoeld in artikel 5.1 Omgevingswet;
- - Stilliggen bouwwerkzaamheden: het niet wezenlijk voortgang maken in de bouwwerkzaamheden, zoals het heien van slechts een of enkele funderingspalen, het lijmen van een of enkele gipsblokken of het metselen van een of enkele stenen;
- - Urgente en/of zwaarwegende planologische belangen: een situatie waarin voor het gebied waarin het vergunde bouwwerk is geprojecteerd een voorbereidingsbesluit of een ontwerpbestemmingsplan/ ontwerp beheersverordening dan wel een ontwerp wijziging omgevingsplan ter inzage is gelegd en het vergunde bouwwerk dit toekomstig planologisch kader frustreert.
Intrekking omgevingsvergunning technische bouwactiviteit en/of een omgevingsplan activiteit betreffende het bouwen/ oprichten van een bouwwerk bij uitblijven aanvang (en/of bij stilliggen) bouwwerkzaamheden
- - Indien zich urgente en/of zwaarwegende planologische belangen voordoen, wordt direct na het verstrijken van een periode van 1 jaar, dan wel de in de vergunning opgenomen termijn, na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning van de bevoegdheid tot intrekking van de vergunning gebruik gemaakt;
- - Indien zich geen urgente en/of zwaarwegende planologische belangen voordoen, wordt direct na het verstrijken van een periode van 3 jaar, dan wel de in de vergunning opgenomen termijn, na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning van de bevoegdheid tot intrekking van de vergunning gebruik gemaakt;
Gunnen ruimere termijn voor start of herstart bouwwerkzaamheden
- - Indien een zienswijze is ingediend, wordt bekeken of deze aanleiding geeft tot het gunnen van een ruimere termijn waarbinnen met het bouwen een begin moet zijn gemaakt, dan wel waarbinnen weer gestart moet worden met bouwen;
- - De termijn bedoeld onder a. wordt naar redelijkheid en in het licht van het concrete geval bepaald, maar bedraagt nooit meer dan 26 weken;
- - In de volgende situaties is in ieder geval sprake van een concreet geval als bedoeld onder b.:
- - de vergunninghouder kan met een aannemingsovereenkomst, een geaccepteerde offerte van een bouwondernemer, facturen van bestelde bouwmaterialen en/of hiermee gelijk te stellen documenten zijn intentie tot het starten of herstarten van de bouwwerkzaamheden aantonen.
- - de vergunninghouder kan persoonlijke omstandigheden, zoals een sterfgeval, ziekte in de familie of langdurige werkloosheid, opvoeren welke aantoonbaar tot uitstel van het bouwen hebben geleid, waarbij de persoonlijke omstandigheid zich niet meer dan 26 weken voor het bekendmaken van het voornemen tot intrekking heeft voorgedaan of deze op dat moment nog voortduurt.
- - de vergunninghouder kan wijzigingen in wet- of regelgeving of jurisprudentie opvoeren welke aantoonbaar tot uitstel van het bouwen hebben geleid, waarbij deze wijziging zich niet meer dan 26 weken voor het bekendmaken van het voornemen tot intrekking heeft voorgedaan.
- - Een ruimere termijn als bedoeld onder a. wordt slechts éénmaal gegund.
Intrekking na gunning ruimere termijn
Indien er binnen de hier boven genoemde ruimere termijn geen start of herstart is gemaakt met de bouwwerkzaamheden wordt direct na het verstrijken van deze periode van de bevoegdheid tot intrekking van de omgevingsvergunning gebruik gemaakt.
Andere rechthebbende
Wanneer de vergunninghouder geen rechthebbende meer is op het perceel/object waar de vergunning op ziet, wordt, naast de vergunninghouder ook de huidige rechthebbende in kennis gesteld van het voornemen tot intrekking. De gewijzigde omstandigheden worden betrokken bij de beslissing over het gunnen van een ruimere termijn en de belangenafweging bij het nemen van een besluit over het intrekken van de vergunning.
Uitsluiting overige intrekkingsgronden
Deze beleidsregels laten besluitvorming ten aanzien van de overige in artikel 2.33 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht/ artikel 5.40 Omgevingswet opgenomen intrekkingsgronden onverlet.
Hardheidsclausule
Het college handelt overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Procedure intrekking
Op de voorbereiding van een besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning is het bepaalde in artikel 3.15, eerste en derde lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht/ § 16.5.2 artikel 16.62 lid 2 en § 16.5.3 artikel 16.56 lid 2 sub a Omgevingswet van toepassing.
1 jaar en 2 jaar na verlening van de vergunning zal een informele standaardbrief gestuurd worden. Voordat het besluit genomen zal worden zal een voornemen verzonden worden en de mogelijk tot het indienen van een zienswijze geboden worden. De brieven worden verzonden naar de vergunninghouder, diens adres zal als mogelijk worden gehaald uit de Basis Registratie Personen (BRP). Indien dit niet mogelijk is zal de brief verzonden worden naar het adres dat in de vergunning genoemd staat.
Bij de coördinator BAG zal gemeld worden dat een voornemen verstuurd is. Het definitieve besluit tot intrekking zal ook toegezonden worden aan de BAG coördinator om te verwerken in de BAG.