Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7 › Paragraaf 7.2

Artikel 7.2.2

Uitgangspunten kostendekkingsberekening riool- en waterzorgheffing

Onderdeel van Water en Rioleringsprogramma 2024-2030

De kosten voor het uitvoeren van de gemeentelijke watertaken zijn onderverdeeld in de volgende posten. Exploitatielasten (waaronder personeelskosten); Groot onderhoud; Vervangingsinvesteringen; Verbeterings- en uitbreidingsinvesteringen. De kosten van nieuwe aanleg worden niet meegenomen, omdat deze worden bekostigd uit de exploitatie van de nieuwbouw ontwikkeling. Verbeterings- en uitbreidingsinvesteringen zullen in de komende planperiode vooral bestaan uit klimaatadaptieve maatregelen. Om de voornoemde kosten te kunnen betalen heft de gemeente riool- en waterzorgheffing. Deze riool- en waterzorgheffing is kostendekkend over een periode van 60 jaar. De gemeente streeft er naar de riool- en waterzorgheffing zoveel mogelijk stabiel te houden. Voornamelijk de investeringen kunnen jaarlijks behoorlijk fluctueren. Hierdoor ontstaan er jaarlijks tekorten of overschotten. Door daar waar dat mogelijk is de investeringen te spreiden in de tijd, kunnen pieken in de investeringen worden afgevlakt. Om te bepalen hoeveel kosten de gemeente heeft en welke inkomsten daar vanuit de riool- en waterzorgheffing tegenover moeten staan is een kostendekkingsplan (KDP) opgesteld. De uitgangspunten die zijn gehanteerd bij het opstellen van het KDP zijn: Het KDP start in 2023 (tevens het peiljaar van de kosten); Het KDP heeft een looptijd van 60 jaar; Indexatie (inflatie) is buiten beschouwing gelaten, daarom zijn renteopbrengsten ook niet van toepassing; De afschrijving vindt lineair plaats, met een rentepercentage van 0,1868% (interne rekenrente) tot en met 2027 en 2% vanaf 2028.; De lopende kapitaallasten zijn uit de ‘Staat C’ geëxtrapoleerd. Tot en met 2016 wordt een rentepercentage van 3% gehanteerd en na 2016 van 0%; De exploitatielasten zijn overgenomen uit het exploitatieoverzicht (al vastgestelde begroting van 2023) van de gemeente (exclusief kapitaallasten); De BTW (21%) lasten zijn alleen meegerekend over de nieuwe investeringskosten. Voor de overige posten worden geen BTW-lasten meegenomen; De kwijtschelding is in ‘overige uitgaven’ opgenomen, en bijdragen derden en bijdragen van Delfland zijn als ‘overige opbrengsten’ opgenomen; De riool- en waterzorgheffing wordt geïnd bij 8.346 (niet-)woningen (2023) met rioolaansluiting of IBA7Volgens de nieuwe modelverordening riool- en waterzorgheffing van de VNG, mag de gemeente de heffing innen bij alle BAG-adressen binnen de gemeente. Dit wijkt af van wat tot op heden gebruikelijk was, namelijk alleen die adressen die een aansluiting op de riolering of een IBA hebben. De gemeente heeft besloten op dit punt niet de nieuwe modelverordening te volgen, omdat dit extra inspanningen vergt om de aan burgers uit te leggen die tot nu toe geen rioolheffing betaald hebben dit nu ineens wel moeten. Deze inspanning staat niet in verhouding tot het extra aantal heffingseenheden waartoe dit resulteert., oplopend tot en met 2030 met 50 woningen per jaar en 10 bedrijven per jaar. Voor de periode tussen 2030 en 2040 is de prognose dat het aantal woningen per jaar met 30 toeneemt. Vanaf 2040 is vooralsnog geen groei geprognotiseerd.

Rechtspraak bij dit artikel