1. De minderjarige belanghebbende van 12 jaar en ouder wordt de gelegenheid geboden diens mening mondeling, of indien de minderjarige dit zegt te willen, schriftelijk kenbaar te maken. De minderjarige van 11 jaar en jonger wordt de gelegenheid geboden diens mening te geven, indien de minderjarige volgens de deskundige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen.

2. Er wordt geen toepassing gegeven aan artikel 7:3 van de Awb om af te zien van horen. Het horen kan in beginsel achterwege blijven indien de mening van de minderjarige op een minder belastende wijze kan worden achterhaald.

3. Voorafgaand aan het horen als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb wordt met alleen de minderjarige eerst een kort gesprek gevoerd. Degene die dit gesprek met de minderjarige voert laat zich voorafgaand daaraan zo nodig adviseren door de deskundige, tenzij degene zelf deskundige is.

4. Het bestuursorgaan regelt dat de minderjarige op zijn niveau, via de voor de minderjarige gebruikelijke communicatiekanalen, in begrijpelijke taal wordt voorgelicht over de bezwaarprocedure en over de daarbij behorende mogelijkheden en rechten voor de minderjarige.

5. Ouder(s), en/of degene(n) die belast zijn met het ouderlijk gezag alsmede het bestuursorgaan of haar vertegenwoordiger mogen niet bij het gesprek als bedoeld in het derde lid aanwezig zijn.

6. Van het gesprek bedoeld in het derde lid mag geen verslag en beeld- en/of geluidsopname worden gemaakt. Degene die het gesprek met de minderjarige heeft gevoerd geeft tijdens de hoorzitting mondeling kort en zakelijk weer wat de minderjarige heeft verteld.